Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 350)

met gespeelde triomf

Ik herinner mij het ingesloten slapen, benen en armen
om mij heen, haren in ogen, monden op

oren, kinderlijfjes in verschillende lengtes naast me en
een op het voeteneind en in de verte het

gezoem van de wekker, schoolgeluiden reeds in de steeg,
dan een kluwen van bewegende delen, een

even rekken nog en mijn stem die onafgebroken fleemt
en vermaant, aanspoort en beschermt,

kleren door de lucht en armen en benen en broodjes en
bekers en tasjes totdat het allemaal op mijn fiets

plaatsneemt en ik daartussen en we duwend en zuchtend
en maar één kind zingend tussen alle

anderen lopend de vrolijke juf bereiken die met weids
armgebaar ons en de nieuwe dag welkom heet.

zwarte kraaien die uit hemdsmouwen vliegen

Waar vroeger laaghartig gekropen werd om het huis,
verscholen tussen de dichte bladeren van

zodat alleen geritsel iets verried, voeten opgeschrikt
door klamme en ongewenste omhelzingen,

plotselinge moordpartijen en gilletjes tot over de weg
die als enig lint kleurloos wapperde, de

bijlen klaar tegen de stam, na uren kriebelende nazaten
op intieme delen als te vroeg afgehakte

ledematen, wacht nu een enkel exemplaar met gespeelde
triomf hoog tegen het venster, bijna

roerloos en vals afwachtend tot ik tuimel uit het raam en
voordoe hoe te ontkomen, te bewegen weer

en nieuwe vrienden te maken, een kale grasspriet wenkt,
een schril gekras trekt over de hoofden.

als een vergeten jurkje

De dichter brengt me mijn moeder maar ook de mist die een
dag later dicht om de torens hier hangt, een

enkel beest blatend in een nabije verte, zwarte kraaien die uit
hemdsmouwen vliegen, de leegte van

dit schrijverschap, een bekentenis, hij lacht er een beetje bij,
het is zomer opeens weer, er

zijn nauwelijks bezoekers, klaterende keukengeluiden en een
kind dat speelt in de gang, gierende stadsgeluiden en

dichterbij het verspeelde heitelân, een uitzicht dat zich door
mijn ramen wisselt als het wit in slierten wegtrekt, daar

de ruimte, het zwart van haar aarde, de rozen tegen het huis,
het uitgestrekte wasgoed over het tere groen,

daar de doden, niet nagekomen beloften, gaten in een leeg
vertrek, haar koffer met bovenop het boek van goud.

het bloot van jezelf

en wat herinnert u zich? 
nog enkele exemplaren te koop via uitgever Watervis

optredens:
Reuring:
vanmiddag Alkmaar
op tournee, Dichter op het Duin, Panorama Mesdag Den Haag, 1 oktober
Alja:
Het Woord in Ruigoord, 8 oktober
Old School Leiden, 22 oktober (gastdichter bij de presentatie van de nieuwe bundel van Gijs ter Haar)

het bloot van jezelf

 

Op de plek waar hij zat ligt zijn kussen en als een vergeten
jurkje ligt daarop mijn bundel en door

de foto op de omslag ben ik meteen terug op het erf waar
wij speelden, niet tegelijkertijd maar wel

de hoeken en nissen delend, de spinrag en damp, beiden
uitgesponnen boven de dierenlijven, de

vieze muren, het opstapje naar de keuken waarlangs de
blubberlaarzen en klompen, de geuren van mest

en schuimende melk, en toch zit ik tegenover hem en heb
het over niets, hij is een rondje om nog, hij

zal zo wel verschijnen maar zij huilt en zegt dat het zo leeg
is en dat is de reden dat ik zwijg, natuurlijk, hij

is misschien wel bij je vader, zegt zij nog en onhandig zie
ik ze de koeien uit het land halen, hun petten scheef.

mij in haar gebeden

Dat je je staande houdt met een opdracht van niets, in het
donker en in de kou en met je weergave in

het raam voor je, de bomen dunner, de buurt duidelijker,
het bloot van jezelf onder de haren die nog in

mond en ogen steken, daar zit je dan, de lucht zonder tekens
en in het trappenhuis de sigaretten uitgetrapt

start over een half uur een brommer, hakken die tikken en
aanslaan en dan je vingers allang weer opgeborgen,

soepeler nu, en de woorden vanuit je slaap zodat je je kunt
redden de rest van de tijd, sla mij

nog een kruisje, neem mij nog eens bij de hand, het licht
doet je verdwijnen, roze de hemel in, dat je

terugkomt in vol tenue ziet niemand, benzine verdampt in
de spleet naar de uitgang, wat moest je ook weer doen?

waarboven zich rood de warmte laat vallen

Goed bezig, roept ze me na en het is of ik de gelovige
buurvrouw van jaren her hoor beloven dat ze mij
in haar gebeden zal stoppen, de

hand om de mijne en ook hoor ik hem nog zeggen dat
ik er nog niet ben, toch? Hij aarzelt misschien iets meer
maar het is dezelfde inmenging die

ontoelaatbaar is, de ongevraagde hulp, zo aan de ruime
tafel mij trakteren op een mening waarover vervolgens
een halve nacht gewaakt wordt, waar

ben ik dan in godsnaam nog niet maar het is niet dat
‘waar’ maar het waarom dat me doet draaien, zeker
hebben ze allemaal gelijk, liefde, het

is liefde, die warmte die zij uitstralen en bovenop mij
plenzen terwijl ik kou wil en onverschilligheid en jaren
later trots en ongeloof, dat laatste vooral.

schaterend over een vergrijp

Slaap is grond, gras, bron. Is het geheim der planten.
Is verder van de dood toch dan zon, paring of geboorte.
Maar onze handen reiken achter sterren in de slaap,
om wat te zoeken, te omvatten?

Welke wegen gaan onze vingers?
In welke getallen bestaan wij?
Van welk licht, welk duister, glanst onze huid?

Wij zijn meer dan wij,
want wij zijn meer dan onze uitgelegde dromen.

En ook: vermoeienis verlaat ons – honden uit de steden vluchtend,
en ook: ontwaken is een stad, te schoon maar licht van moed,
en slaap wordt: wouden achter ons, een meer, de lucht, een vlieger,
wordt diep en hard verlangen. En dat doet ons leven.

Hans Andreus, uit:
Slaap: een ruimte, uit: Ik hoor het licht, bloemlezing Jan van der Vegt

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

een boekhoudkundige staat van dienst

 

Soms verwacht ik dat ze me nog belt, is het geen tijd
te melden dat het weer haar zo somber maakt,

heeft mijn vader niet weer iets doms gedaan, is mevrouw
S. weer niet voorbijgefietst, het hoofd

triomfantelijk achterover, schaterend over een vergrijp
dat veel eerder plaatsvond en moet er

nog maggi komen uit de tuin en wat heb ik nog meer
gemaakt? Vaak is het onvoorstelbaar dat

het telefoonnummer van mijn ouders allang verdwenen
is behalve in mijn hoofd en dat ik

heb moeten leren het niet meer te draaien. Soms ook
moet ik mijn pas nog inhouden om niet

naar haar toe te hollen en net voor haar behoedzaam
mijn warme hand in haar koude te leggen.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑