Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 327)

staccato

ik ben het leven en er is niets anders
mijn grootvaders mijn vaders en mijn zonen bezitten mij
de lach van mijn moeder komt bij mijn dochters uit
zij regelen mijn liefkozingen

Paul Eluard, uit: Wat Leda er niet van dacht
vertaling Hans Lodeizen

staccato

Nu ze weer opgeborgen zit tussen de white boards en
kokerrok, het miss-gefleem en de scherp gevouwen

vliegtuigjes, verheugd haar leerlingen de moeilijkste
opdrachten gunt en geen enkele stelling

uit de weg gaat, en nu hij handjes houdt met verliefde
peuters en juffen met lang haar, kwijlt tegen

Engels sprekende beren en kraait boven mushroom
potatoe stamp, is de vloer in hun huis op

een enkele verdwaalde knuffel, opwinddoosje, in vieren
gebroken rijstwafel en snottebel, leeg en mijn

scherm evenzo. Geen gekke bewegingen meer die het
zwart vullen, geen zacht gebons met kusgeluid

tegen de geduldige overzeese vlakte, geen goed gesprek
op een willekeurige middag waarbij het

instemmend gezang alle conclusies overschreeuwt: dat
van altijd durende liefde van moeder op kind.

bezet

Ik lag in mijn kinderbed, de wollen dekens, de
gehaakte sprei, toen de dichter naast mij

schoof. Ik deed alsof ik sliep. Behoedzaam legde
hij zich neer. Toch voelde ik weer

later de arm over mijn mond, het bijna missen
van mijn adem terwijl mijn lijf zich

niet verzette tegen het in staccato doorboren van
het vlees, ik wilde alleen die druk op

mijn gezicht weg en draaide en duwde. Alsof het
woord toch een teveel was of

poëzie niet als liefde kwam maar als daad van
bezit, overweldigend en buiten mij

om, het schreeuwen mij belette, dominant mij daar
bracht waar ik niet had willen zijn.

een dode hond

Het leven begint in de
ordening van ogen,
rood op rood, jij en de geur
van natte stappen.

Laten we de hemel uitpakken,
rechtop staand kunnen we
wolken raken. Staan op strak.
Ik moest u nog groeten en
zeggen dat alleen de
overkant telt.
Het kan ook anders lopen,
onder auto’s bv.
Ik geloof in chaos.

Ik heb zeven minuten vertraging, sorry,
zeven sleutels voor één deur
dus ook
zeven redenen om door de
muur te komen,
zeven miljoen angsten dat
zeven pogingen
vluchten niet plausibel genoeg
lijkt.
Bezet, edoch.

Wij zullen weer samenvoegen
als dronken vissen,
woorden in
onfeilbare lijven, de massa
brekend.
Er is geen letter uitgespeeld.
Ontsnap uit mijn gezichtsveld.
Vertrek. Heb
het recht om bang te zijn.

Alleen de overkant telt.

Het leven begint in de
ordening van je ogen,
rood op rood, jij en de geur
van verdwenen stappen.

Afdruk, met Sven de Swerts, vanmiddag te horen in Reuring

een dode hond

“Ze kunnen het niet laten, altijd die vraag: wat bedoelt de dichter als hij schrijft dat ineens tussen neus en lippen zijn hart het begeeft? Waarom vraagt hij hoe het vlees smaakt als hij denkt dat hij zichzelf en nog iemand moet redden van de ondergang, waarom doet hij of hij niets heeft gehoord? Waarom begint hij op een nieuwe regel als de zin nog niet is afgelopen?”

Marja Pruis, uit: Zachte riten.

rechtop

Er is dat niets. Het ligt nog in mijn bed zo halverwege
het midden, schuil onder de lakens, het

zit nog aan mijn tafel, rechts van mij, het draalt nog om
mij heen terwijl het mijn hand pakt, het

komt voorbij mij. Soms kan ik er doorheen prikken, het
uit elkaar trekken zoals je een pijltje door

een hartje langer maakt, soms overvalt het mij, zwaar
en lastig ligt het dan als hem bovenop mij.

Vaak ook is het de mist tussen de weilanden en het kalme
water, ik moet wel fietsen om warm te worden,

de dorpen rijgen zich niet vanzelf aan elkaar, even zo vaak
is het een doodlopende straat in deze

stad. Een dode hond onderaan de boom, zwart in mijn
ooghoek, een regel uit een psalm, iets van vroeger.

 

 

tastbaar

Bij Stegenga kochten we de koek, de oranje versierde
harde plakken, de lichtzoute bergen lucht,

de brokken waaruit de sukade eerst opgewipt werd en
daarna in de vleespan verdwenen, het

zoete suikerbrood dat als souvenir naar het andere land
verdween, we deden de groeten en alles was

‘best juh’ en langs de kerk schuifelden we met onze
armen vol en wisten hoe koud het daarbinnen

was, hoe recht de banken en rechtop wij en dan langs
het water en over de brug en met onze

armen tegen de deur bonkend tot vanuit de tuin mijn
grootmoeder haar mand meenam en ons

bevrijdde van de last en ‘tiege best’ zei en dat was altijd
meer en dan legde zij twee plakjes bij ieder kopje.

 

 

tastbaar

Terug van lentes sprong in de toppen van de polsstokken
Boven de brede spiegels van de overmoed,
Reeds tegenwinds gevreesd door kieviten,
Die dan de lucht in wiekten, nog voordat de zon
Over de vochtige pluim van het riet sprong om dauw en
Groene vondst hun glans te geven, nu kabouter
Columbus een ei vond in Stegenga’s
Land en blinkend thuis de melkbussen met lange
Schaduwen aan de landweg stonden te kleumen maar warm
Aanvoelden aan de handen die maartse vroegkou,
Als trofee van het dolend paradijs,
Schonken aan, voor school, tot de trog geroepen kalf,
Dat zoog aan een gevoel waarvan niemand zou gaan horen,

Jongen, kleine jongen,
Roep me,
Roep me terug, terug

Uit dromen over verre landen in de veren van
Een krakend bed op de droogzolder, vochtig en
Spookachtig van zwarte was, bint en stok,
Onder het beschoten dak met jonge spreeuwen,
Stil, de nacht van zwart glazuur; nee, veel luider nog, terug
Uit de ban van de roep Amerika, geschreeuwd
Vanaf de grashoop door een van Strobands
Reuzen (ja, hij, die de Bruinsma-mestkar de lucht
In tilde, of fietsen in zijn binnenzak had en zelfs
Een schip dat over een oceaan kon), maar zie,
Amerika kaatste tegen Boersma’s
Stal terug in de mond van een reus op een berg
Van gras in een droom onder het dakvenster met de ster,
Terug uit de kindergangen, de labyrinten door
Het op groene buik beslopen lange koele
Gras vol kevers van de late meimaand,
Op zoek naar een kleine jongen in een bloesje,
Licht als zijn bebop-kuif en bont van automerken, o
Bochten: in de schommelende zon verblijd, maar
Zonder thuis in haast verdwaalde schaduw,
Die terug wou, wou roepen, maar slechts een hoedend
Zingen vernam van kievit, leeuwerik, grutto, tureluur,
Engelen van goud die ieder bang ogenblik,
In een wiekwind van ruisende veren,
Neerdaalden, tot één slag van de biddende toren
Baas smid (zwart als de hel, sterker dan de dood, toch?) doodsloeg,

Jongen, kleine jongen,
Roep me,
Roep me terug, terug

Van eindeloze zomers ontvliegende oogsttijden
Op hooiwagens die als mezen zongen, zo hoog,
Het hooi op lamoen, vastgebonden met
Ponder en touw, en aan zijn staartstuk de klompen
Te glad om tijd en dampende paarden te weerhouden;
Uit hemelse boot bovenop de hooiwagens
Die heen en weer zweefden als een wieg en
De wilde dieren in wonderwitte wolken
Vol dorst op hol joegen maar ook de dag die stop zei bij
De drinkende paarden die alle avonden
De nacht aan het oog van de maan tot in
De gulle schuur trokken, als geluk opgegaan
In laffe wolken, verzonken was achter zeedijks kim,
Uit het dorpshart en zijn schemer met bugel, trompet of,
Hoger nog, vier vingers in een felle mond
(De tong was een wenkende wijsvinger),
Mond waarvan de lucht het ruim van de vleermuis spleet,
Ver weg op een boerderij, maar zo gebiedend hard dat
Grootdoen – één keer nog – het vertrapte blik over
De stenen tafelen van de straat spoot
In de richting van de rode maan die straks van
De smalle Hoge Pijp rolde tot op de hakken van
Gedirigeerde klompen die, tussen koren
Van kikkers, de Sjungadijk afrenden,
Klapklap, een applaus voor avond en woerden, die
Hijgend de schepping prezen om wijfjes lokkende borst,

Jongen, kleine jongen,
Roep me,
Roep me terug, terug

Van de ademloze mond van Marilyn Monroe, strak
En bloot gesneden in reeds geschonden blik, op
De grommende fronten van de blauwe
Ford Dearborns, die de rauwe loonwerkers, vlug als
De stroom van het geld, de sprong van het zaad, in het stro van
Noordoostpolder en New Holland (o bloedrode
Balenpers die de zomer opvrat en
Als herfst weer uitwierp) najoegen, jonge honden
Tot in de nacht – koest Tarzan! – tractors en persen zwegen
Bij kampvuur, bier en sterren boven de l.a.b.-bus:
Rood hotel in de middle of nowhere
Met, vlak onder een nomadische maan, één jeep
Ervoor, waarop naast burgwerd Always Ready stond gekwast,
Zeilend terug uit de schouw op, niet de Mississippi,
Maar de wijsgerige vaart welke het dorp in
Een deel Buda en een deel Pest verdeelt,
Schraal stroomopwaarts tussen leeggewaaide polders,
Gegeseld door de glazen zwepen van de westenwind
En, bruisend, de golven op het zwarte water
Van het Brewaar met zijn hardlopend riet,
Dat met lange lenige benen, steeds maar weer,
Sierlijk en atletisch over stag en boegspriet sprong, in
De lange jacht der buien, die hoosden, hoosden,
Net zo schuin als de mast hing aan de wind,
In die dagen van oktober die als bladeren
Vielen en kil voor Wiersma’s wal tijd en boot aftuigden,

Jongen, kleine jongen,
Roep me,
Roep me terug, terug

Uit de kras van de schaats op het maagdelijk-zwarte ijs, met
Het stil aquarium van het kind eronder
En de wedstrijd voor mannen fel erop,
Nu noordenwind de vlag op de toren bevroor
En in de houten tent op de ijsbaan in het heetst van
De strijd Baukes van chocola dampende pot-
Kachel door het ijs ging, zoals ’s nachts, na
Het navliegen van meidenwild op feeëriek
Verlicht ijs, in de schaduw van een Peter Stuyvesant-
Reclamebord: Een wereld gaat voor U open,
Tegen de muur van de oude fabriek
Onder een jacht van zwarte sneeuw, hardrijderslust
Hulpeloos in de warme wakken der liefde verdween,
Terug uit de tijdloze sneeuw van een kamer vol licht
En een op een witte tafel geopend boek
Met blanke bladzijden zonder letters
Van de voor eeuwig en altijd ingesneeuwde
Taal van een verlaten ziel, die wist, zijn tempel verliet
En door gangen ging die doorgangen bleken
Naar een inzicht dat een vergezicht op
Een sneeuwwitte ziel bleek te zijn die geluidloos
Las uit Nix, het boek waaruit de letters werden gewist,
O, witte bijbel van verblindende onschuld –
Maar het paradijs van verwondering
Hield geen verblijf onder het sneeuwdek van de tijd,
Ook al prevelde een stem in zijn tempel wanhopig:

Jongen, kleine jongen,
Roep me,
Roep me terug, terug.

Tsjêbbe Hettinga, Kleine jongen, uit: Het vaderpaard. It faderpaard. Alle gedichten. De Bezige Bij, vandaag verschenen.

de meeste delen

Het lijkt alsof hij er altijd geweest is, spelend op
het kleed tussen onze beide schermen in,

kraaiend en lachend zodra ik uit het zwart opdoem,
allebei op gelijke hoogte, kijk, daar

is oma, de woorden volgend die over zee en door
de lucht en door zijn lijfje en over zijn

drie haartjes in onze koffie belanden en onze handen
die volgen, wijzend, strelend, klappend,

zo moet dat, kijk dan, opwippend, omhoog komend,
hoger, een centimeter verschuivend, ik

kan het, lippen die tuiten, smakgeluidjes makend,
voor jou, voor jou, en de warmte die

voelbaar bijna dan ook tastbaar is, dik geplooid in
mijn richting slaat en nooit meer oplost.

 

de verste hoek

Elke ochtend heeft het licht van de vorige, een
misleidende felheid, een zomers tafereel,

een bijna ondraaglijke vrolijkheid terwijl ikzelf
steeds langer doe over mijn ritueel:

met eenzelfde zonnig gemoed rollend vanuit de
lakens meteen op de voeten staan en

handelend, even snel u op het verkeerde been
zettend om daarna weer voor een

dag te verdwijnen. Het is namelijk nog lang geen
zinderende temperatuur, alleen in de verste

hoek is het behaaglijk, schuilend tussen muur en
muur met de geluiden van de wereld

ver onder mij. En zelf ben ik nog lang niet bloot,
ik bedek nog altijd de meeste delen.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑