Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 341)

gulle bedenksels

Als we onze haren ravenzwart hebben en dansend over
onze schouders, de einden geknoopt en de

jassen zwart en zwaar los, het leer gebarsten, als we dan
boos kijken en sowieso al ongenaakbaar

zijn, doet niemand ons iets. Als we dan de boxen laten
trillen en onze mond open en schreeuwen, de

ramen op barsten, onverstaanbaar voor een ander, doet
niemand ons iets. Als we dan elkaar

aankijken, hij en ik, weten we dat we hetzelfde voelen,
dat we zo hard willen rennen dat

we alleen ons hart horen en steken in onze zij en trillende
ledematen en verdriet, verdriet zo diep dat

niemand ons iets doet, alleen wij, onszelf, elkaar, als we
onze haren zwart schudden en roepen.

geen geluid

I’m tired of being what you want me to be
Feeling so faithless, lost under the surface
I don’t know what you’re expecting of me
Put under the pressure of walking in your shoes
Caught in the undertow, just caught in the undertow
Every step that I take is another mistake to you
Caught in the undertow, just caught in the undertow

I’ve become so numb, I can’t feel you there
Become so tired, so much more aware
By becoming this all I want to do
Is be more like me and be less like you

uit: Numb, Linkin Park
bij de dood van haar zanger Chester Bennington

geen geluid

Hoewel ongelijk verdeeld, altijd een balans zoeken. Het
haar een lichtend voorbeeld boven het zwart verschijnen,
de voeten zo vergroot dat ze zichtbaar zijn nog onder de
verzwaarde borsten, de benen in

cadans, losjes de handen alsof een liedje gezongen wordt
terwijl het weinige van waarde vastgehouden is. Soms
torent zij boven alles uit, de houding, hoort zij zeggen, de
houding is altijd het belangrijkste van

het hele gaan. Binnenkomen, weggaan, tussen beide komen.
Dan daarna de geur van haar parfum, haar lijf, de zomer die
vochtig om haar heen hangt, haar

gerechten, de ene keer zoet en licht, de andere keer gekruid
en zwaar, gulle bedenksels, giechelende fantasieën, leunend
tegen je zwijgende onbeweeglijke statuur.

het argwaan

De Butterhuizen, 1963

het argwaan

Ze veegt in haar lucht, het glas ertussen schoon, de
boom aangeslagen groen, sintels

smerig wit boven dof oranje daken, geen konijn te
zien. Staande zou het gras dood

aan haar voeten liggen, de hond zich vastgedraaid
aan haar stam. Zittend reikt ze net met

vaste vingers in het oneindige. Er is geen geluid nog.
Liggend rolde ze door het krakend

hooi, kriebelend een laatste zomerdag, stemmen en
haastige mannen om haar heen, de

eerste druppels voordat de karren reden en zij, dan
hoog bovenop, zich bukte voor de zoldering

en daar de voorraden verzameld het vocht boven haar
liet verdampen met hetzelfde gebaar.

kinderen op het schoolplein riepen me na

Ze hangen samen boven de aanbiedingen van de
week en knijpen even in de geboden

waar. Communicatie op basis van het geheim dat
je zou delen, alsof zijn harde vingers

niet de vrucht zouden beschadigen en haar schelle
marktvrouwenstem niet het

argwaan zou wekken dat bij de kortingsactie hoort.
Vroeger ondernam je nog iets met

Sandeman, of je moeder of onder de dekens met
buurmeisje C. dat te veel lachte, nu

zijn er alleen maar stiekeme leden van een onmogelijk
verbond. Ik glip achter ze langs, hele

torens fruit kantelen, appelen rollen voor me uit, de
kersen hangen aan mijn oor.

het onafgemaakte liefdesspel

 

Hier nu    langs het lange diepe water
dat ik dacht dat ik dacht dat je    altijd maar
dat je    altijd maar

hier nu     langs het lange diepe water
waar achter oeverriet achter oeverriet de zon
dat ik dacht dat je    altijd maar altijd

dat altijd maar je ogen    je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend    in het water rimpelend

dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar    dat wuivend oeverriet altijd maar

langs het lange diepe water    dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag    je huid
altijd maar in de zomer in de middag    je huid

dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd    van geluk    je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe water     dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middaglicht    je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreet    hangend
altijd maar je vogelkreet    hangend
in de middag    in de zomer    in de lucht

dat altijd maar de levende lucht     dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water    de middag    je huid
ik dacht dat alles altijd maar    ik dacht dat nooit

hier nu langs het lange diepe water     dat nooit
ik dacht dat altijd     dat nooit     dat je nooit
dat nooit vorst     dat geen ijs     ooit het water

hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres     dacht ik nooit
dat sneeuw     nooit de cipres     dat je nooit meer

Remco Campert, Lamento
uit: Dichter / opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter)

het onafgemaakte liefdesspel

Je droeg me op je schouders, nog vroeg je of het geen
pijn deed en ik sloeg mijn hand

tegen je rug of hield haar, hield hem. En ook dat werpen
op het bed, in een boogje bedenk ik me

nu, was iets dat je jaren bleef vertellen. Kinderen op het
schoolplein riepen me na dat ik drie

uur lang had staan zoenen, ze hadden het zelf gehoord,
en nooit bloosde ik, giebelend uit

de kring maar ik voelde de rand van het aanrecht tegen
mijn billen en ook wel die

worp daarboven terwijl je mij toch, heus, geen enkele
kwetsuur wilde bezorgen. Jijzelf koos

voor een boom aan de linkerkant van de weg maar dat
was pas nadat bleek dat pijn doen van

twee kanten kwam.

er is geen denken aan

De lucht blijft hangen zoals het geluid tussen deze
woonlagen. Zwaar en grijs, nietszeggend

zoals het onafgemaakte liefdesspel van de buurman,
de in slaap gevallen vogels in de

bijna roerloze bomenpracht, het kind nog dromend.
Witte vleugels op het dak, de zwarten al

aan de overkant. Alle eerste geluiden zijn voor de
verandering: bij het starten van de auto

scheurt zij uit haar jurk en maakt de hond zich los
van zijn riem, een gordijn zwaait open, de

onderste takken beginnen te ruisen, de zinderende
binnenplaats krijgt een witte boterham

met kaas, de trage druppels, kindergeschrei, het
wiel van een fietsje, bloemen van gisteren.

mijn enige beweging het hoofd

Alleen wil ik mijn lichaam niet verkennen
waar wel de geest zijn eenzaamheden prijst
en ook het hart soms elke vriend afwijst,
aan eenzaamheid kan zich mijn vlees niet wennen.

Karel Jonckheere, uit: Op de vrouwelijke bijstand
uit: De hondenwacht / opgenomen in de bloemlezing Waarom ben je niet bij mij (Arie Boomsma)

 

IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.

Hugo Claus, uit: Nu nog (fragment)
Gedichten 1948-1993
opgenomen in de bloemlezing Waarom ben je niet bij mij (Arie Boomsma)

 

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑