Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 383)

het logboek van zijn onderneming

Omdat we een moment lang dachten, nee, zeker
wisten dat de wereld stil zou blijven staan,

wij naar beneden vielen, hij in stukken, ik heel
er achteraan, krijsend, is de rest van

de tijd een andere, nieuw en vreemd en slecht
passend. Ik probeer een andere volgorde,

zoals op handen lopen met het haar slepend over
de grond, een toetje in de ochtend, een

streep door mijn overvolle agenda, de zon in de
nacht. Was je erg bang, zullen we

morgen niet vragen, wil je alsjeblieft nooit, zullen
we morgen niet noemen, ook niet heb je wel

mijn naam bovenaan staan, weet ik wat ik moet
doen, ga je asje alsjeblieft nooit, nooit?

ruimtes tussen favoriete letters

Soms heeft dat wat je schrijft niet meer inhoud dan
de schommelingen in temperatuur die

nauwgezet door een binnenschipper in de kop van
een noordelijke provincie in het begin

van een vorige eeuw genoteerd werden in het logboek
van zijn onderneming. Ik lees hem, scheel

van het kleine handschrift, bereid tot iedere afwijking
in de regelmaat van zijn pen, een hagelbui,

een hevige regenval, een zicht beperkt tot een halve
meter, luchten die zo dreigend zijn dat hij

het laatste oordeel ziet. Ik wil naar hem afreizen om
zijn boot te zien, zijn vrouw en kinderen of

de grijns bij een zonnige dag, ik wil het zompige land
rondom of het gebarsten raampje in de

kajuit, sterke koffie naast het stuurwiel, zijn pet en de
weersverwachting voor de dagen die komen.

datzelfde 3 bij 2

We spaarden dezelfde details. Er waren boeken in hoge
zelf getimmerde kasten, de zijne eerst nog

aan de linkerkant terwijl de mijne rechts stonden terwijl
ze later zich aan elkaar uitleenden, er

waren langspeelplaten die op alfabetische volgorde in
een document vindbaar waren, ruimtes tussen

favoriete letters, er waren poezen, een, twee, drie die
hun jongen bij voorkeur op de traptreden

legden, er waren foto’s aan de muur die in de kleine
donkere kamer eerst te drogen hingen, knijpers

in de soms onherkenbare vrienden, er waren die vrienden.
Ons kind heeft een ruimte die geen altaren kent

of het moet de keuken zijn met brandschone, scherpe
messen en laden die glijden en geuren van toen.

hij rookte niet, beweerde hij

Ongewild lig ik in het krokodillenbadje van 3 bij 2, op
de barbecue tussen de opengesprongen worstjes,

op het springkussen dat de hele dag opgeblazen wordt
met kleine pufjes uit een zuchtend apparaat,

tussen de oma’s die met bungelende sigaret en zonnebrand
hun gesprek niet stoppen voor een huilend kind,

laat staan voor mij, terwijl de mamma’s proberen te rusten
op te hete tegels in datzelfde 3 bij 2. Zonder

echt mee te doen, hoor ik het leven op een zomerse dag,
ben ik lid van een familie die niet van elkaar

houdt, heb ik te weinig boodschappen gedaan, mijn auto
op de stoep laten staan en het geluid hoger

gedraaid om maar niet het gesis te horen, draag ik mijn
kortste broek, mijn buik en de krokodil en hijg.

als eerste bewoner

en de fotograaf legt
Haar vast opdat ze
Nooit meer zal ontsnappen”

uit

de rest van je lijf

als eerste bewoner

Maar hij dan, wat doet hij daar, uit welke tijd is hij
gegooid, uit welk onderdeel, welke film, uit

welke foto weggesneden, past zijn hoofd wel op deze
romp, voegt zijn lijf wel in het mijne. Er

is een hapering in handelen, een bijna niet herkennen,
ik word oud blijkbaar, het duurt uren voordat

zijn naam naar boven komt, er drijft witte wijde kleding
bij en een kralensnoer, een rood-wit pakje

sigaretten, hij rookte niet, beweerde hij. Ik geloof niet
dat hij echt leeft. Dagen later hoor ik mijn

moeder giechelen om hem, ze knijpt haar ogen bijna
dicht en leunt naar zijn zijde, o ja, het

lijf paste, er zijn drie foto’s, het hoofd ligt in mijn schoot,
hij moest daar zijn, zegt hij stellig.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

fluitend vanuit het niets

een bladzijde uit 2017

de handen doen wat ze kunnen

In het verslag van mijn leven, dat minutieus verslaan van dat
wat niet eens de feiten zijn maar eigen waarnemingen,

verzinsels en achterhaalde drogredenen, is er soms een lege
bladzijde die kleeft aan de overvolle van daarvoor,

per ongeluk met natte vinger overgeslagen, soms ook een
pagina met slordig kruis dat diep gekerfd tot

op de twintig vellen daarna zichtbaar is als ook een wit veld
waarin slechts één woord als koppige maar

gekleurde bloem zich staande probeert te houden. Er is een
alfabet aan letters te midden van afwezige lijnen,

een familie die zich vermaakt met herhaling en zingeving,
er zijn minnaars die fluitend vanuit het niets

neerstorten op haar kreukels, dieren die zich eerst nog schuil
houden en dan allemaal tegelijk eten willen, vage

vegen vanuit haar handen, ezelsoren op de bekende plekken,
sleetse pogingen de waarheid te vinden.

hij kan nu eenmaal niet alles

voor al uw problemen: hijsbedrijf Spaan

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑