Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

de vriendelijke schommelende loop

Soms denk ik dat ik haar zal vinden, alsof ik haar nooit ben kwijtgeraakt. Soms, bij het opkomen en wegebben van de zee in een heldere nacht, zie ik haar vlak voor me lopen en zweer ik dat er voetafdrukken zijn. Zij was een aanwijzing die ik probeerde te volgen, maar ik leef in een wereld die geen verwikkeling meer kent. Slaap zacht, en hoop op dromen.

Jeanette Winterson, uit: The World and Other Places

 

 

de vriendelijke schommelende loop

Mijn lichaam bleef liggen waar hij het achterliet, een
zachte kuil in al onze bedden, een haastig

uitgetrokken jurk die gretig over de spijlen hing, zwart
natuurlijk, een geur van aarde en olie en

mijn zweet, onbetaalbare Opium en de maaltijd van
daarvoor, bloemen die op een

restje water verder leefden, als een brief die niet gelezen
van grote hoogte op de planken dwarrelde,

vergeten vouwen van het vliegtuigje, een ineengepropt
laken, wachtend op de was, een lege

kamer in de kleur van olijven die hij uitspuugde en teruglei
op de rand van zijn bord, geschikt naar

grootte en nut, generlei, als een vergeten belofte, een
vage letter in zijn agenda, zo lag ik daar.

 

 

het hoogpolig tapijt

De ochtenden dat men nog aardbeien vind, tomaten en
pepers op het reeds verkilde balkon, verscholen

tussen de vochtige bladeren of trots tevoorschijn komend
aan een kaal gevreten stam, de sporen van

een tuin die ons omringde en waardoor men met grote
halen behoedzaam ging. Ochtenden waarop

het dreunend geluid vanaf de bouwplaats langzaam zwelt,
de gesprekken steeds hoorbaarder, de vrachtwagens

af en aan, de koffie schommelend in haar beker, het stof
in elke teug. De gordijnen al toegetrokken.

Morgens die de dauw van het weiland oproepen, het blaten
van de beesten, de vriendelijke

schommelende loop van de kerkgangers, het luiden van de
bel, een oogst aan vruchten, heimwee in onze botten.

 

 

met één beweging

Nummer 51090457, onderneming Alja Spaan, is bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven per 1 september 2016 teneinde voor een bijstandsuitkering in aanmerking te kunnen komen. In 2005 ging zij voor een werkloosheidsuitkering en langdurige re-integratie, eenzelfde traject in. Op 1 juli 2005 startte zij toen Atelier9en40. Op 1 juli 2010 schreef zij de onderneming Alja Spaan in.

met één beweging

Niets is meer terug te vinden van het vriendelijk en geruit
oppervlak waarop hakken tikten en landerig tot stilstand
kwamen achter speels hoge balustrades waartussen

vingerplant en familiefoto, vieze theemok en perforator
geruite bloesjes fleurig ja knikten. Streng uitziende
mannen die allemaal verdacht veel

lijken op de grote liefde M. proberen rechtop te blijven
staan tussen koffieautomaat en scanner, trekken aan hun
stropdas en knikken je het goedemorgen na.

Als P232 keren we ons tot het uitzicht over het kruispunt
en verbazen ons dat de chaos nog groter lijkt van bovenaf,
half verwachtend dat vanaf het hoogpolig tapijt achter ons

fluittonen zullen snerpen of andere reddingspogingen. Ook
zien wij opeens kabouters uit vorige afleveringen charmante
oplossingen aandragen. Zo waren we al eens eerder

ontslagen uit deze maatschappij, niet meer te voegen in man’s
rangsystemen en moesten we genoegen nemen met halve
vrijpartijen op te zachte banken. Dit keer

is het P232 die hoog over de obstakels stapt, er zijn volop
kansen, men moet ze willen zien. M. knipoogt, participeren
is gerust niet zo moeilijk vanaf valhoogte.

 

(Nummer 51090457, onderneming Alja Spaan, is bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven per 1 september 2016 teneinde voor een bijstandsuitkering in aanmerking te kunnen komen. In 2005 ging zij voor een werkloosheidsuitkering en langdurige re-integratie eenzelfde traject in.)

gespiegeld

zo is er ook een gat
in mij, een hard licht
en wat mijn handen schrijven
het kan niet meer dicht.

Huub Oosterhuis, uit: Een hand die de zon uitveegt
bundel: Gedroomde God

gespiegeld

Wij lezen u altijd, mijn man en ik, nou niet
Gelijktijdig natuurlijk want hij spelt woorden
Als ‘borst’ en ‘scheuren’, die van uw spijker-
Broek terwijl ik het verband probeer te
Leggen tussen voetbal en kunst en of
Coaching nu echt wel gewenst is
Hij tikt u ongeduldig met het pijltje naar
Beneden tot u in de gewenste stand beneden
Hem ligt terwijl ik mijn ogen prop in de
Afstand tussen de regels en langzaam
Me beweeg, ik begrijp niet goed de
Uitwerking die u op ons beiden heeft
Hij struikelt inderdaad over de hond die
Aan onze voeten ligt en vergeet op cruciale
Momenten altijd wel iets, terwijl mijn
Zorgen alleen maar groter worden en mijn
Verlangen evenredig, ik wou eigenlijk dat
U ophield met schrijven
Op een dag vindt hij dan een zwarte bladzijde
En gaat gewoon verder met leven en ik
Trek dan de deur achter me dicht en zwerf
Zou u niet hetzelfde doen?
Ik koop mezelf een oude Volvo, een laptop en
Wat zwarte kleding en rijd mezelf langs
’S heren wegen, altijd een brug te ver en hij
Plukt een meisje van straat dat graag wil
Poetsen en pijpen en pas over dertig jaar
Over beloning begint en ondankbaar werk
Ik slaap onder die bruggen en neem mezelf
De jonge lifter, hij weet veel van laptops en is
Handig in gebruik, ik laat hem achter als ik
Tank en hij een Rollo koopt en een wit sneetje
Brood met oranje zalm ertussen, weet u misschien
Iets van het leven, zal ik de volgende vragen
Die al gebukt over de onderdelen van de Volvo
Met smeer aan zijn handen mij bevredigt
Zou u niet hetzelfde doen? ik hoor een
Roffel op de trap, hij is thuis, ik moet u sluiten
Hij zal achter me staan en meelezen en
Zijn schone witte handen in mijn nek leggen
En me dwingen u op te geven, mijn mond open
Te doen of dicht eigenlijk, als u me begrijpt
Ik heb niets gezegd ooit, ik heb niet geprotesteerd
U heeft mij niet gehoord, ik slik hem en proef
De maaltijd van gisteren, buiten de deur, collega’s
Onder elkaar, de slet van de kantine, met één
Beweging drukt hij u weg, ik zie u achter het
Beeldscherm verdwijnen, het lijkt alsof u
Knipoogt, misschien verdwijn ik morgen, misschien
Kan ik dan doen alsof, ik sluip naar beneden
Leeg zijn broodtrommel, berg de vieze schoenen
Op, leeg de vuilniszak, haal het vlees uit de vriezer
Hij leest u, schrijf in godsnaam niets over mij
Schrijf in
Godsnaam
Niets over
Ons
Wij lezen u altijd, mijn man en ik, maar niet
Gelijktijdig

 

Geachte mevrouw Spaan, log van 21 juli 2006

 

de grappenmakers

Dan sloop hij naar het bed en vouwde zich op mij,
heet van water, zon en verlangen. Ik deed

alsof ik sliep. Ik had alle voorbereidingen gehoord,
het lange douchen, het schuiven van

deuren, het slordig afdrogen, het kletsen van de voeten
in mijn gang, het zachtjes sluiten van het raam.

Dan was hij even groot, gespiegeld aan mijn lijf, armen
en benen uitgespreid, handen op elkaar, mond

in mijn nek. Dan opende hij mij, hield mij met zijn
gewicht in positie, verhief zich, gromde,

stootte tot zijn hoogtepunt en ging weer liggen zonder
zich terug te trekken. Dat en die

sluipende verwachting, de schroeiende hitte, dat passen
zonder te meten, dat doen alsof

ik niet aanwezig was terwijl elke vezel van mijn lijf
hem wakker hield en ons telde.

 

 

wijs houden

Het mezelf delen in de kringen van nu, lijkt op het
verplicht trakteren in de schoolklas van vroeger.

Ik herinner het me niet, weet alleen van de bootjes
die ik eetbaar maakte en de grote schalen die

tegen de buik aan behoedzaam over straat gedragen
werden. Ook dat niet herinneren, lijkt

op het gebeuren van nu. Verder blijft het meer getuigen
van snoeplust, sociale codes en trots want je

weet dat je niet iedereen iets wilt geven, het liefst de
juf overslaat en doet alsof je zelf niet gehad hebt.

Dan zijn er de weigeraars, de groene strak gesloten mond,
de grappenmakers, de vlakke hand onder de schaal,

de verbeteraars, boten als deze zinken. Net zoals nu.
Het enige dat ontbreekt, is het op de stoel staan.

 

 

verscholen in een groep

Een enorme rust omarmt me. Alsof ik opnieuw
in het dorp neerstrijk waar naast de vogels een
enkele man uit een boom tuimelt,

men zich verzamelt rond de stam en ter kerke gaat,
eieren in een schaal aan de weg staan en elke
bijgaand schrift kinderlijk lijkt.

Wisselgeld in de klomp. Alsof ik opnieuw de
verstopplekken vind in mijn eigen huis. Koele
kelders waarin het stof op de flessen,

ingemaakte vruchten met verlopen etiketten en
weer die geruststellende blauwe inkt waarmee ik
hem de rijmpjes verzamelde. Alsof

de uitgestoken hand aan de overkant van het erf
me langer vasthoudt. Het orgelspel blijft rond de
toren hangen zoals de vliegen boven

het dampend voedsel, er wordt opnieuw opgeschept,
de deuren klepperen, zomaar kan gezongen worden,
men hoeft niet eens wijs te houden.

 

 

« Oudere berichten

© 2016 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑