Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

maximaal

De bundel lezen brengt misschien soelaas!

maximaal

Geen ander geluid dan het tikken van de nagels van
de kater, strakker de wijzers van de klok,

muren van ijs rondom deze kleine toevlucht, zwarte
ramen, een geredde planeet maar dan

alleen op aarde. Een stem die alleen tot het rode kind
spreekt, de voddenbaal met klauwen die

snurkend aan de voeten ligt, of tot zichzelf. Niet altijd
is zij te verstaan. Het hoogteverschil is

ook hier gunstig zoals in de ochtenden: majesteiten
kloppen de kleden uit op het balkon,

buigen wat, de rode daken hebben witte vegen. Als
vanzelf scheurt iemand zich los, een toren

luidt, zwarte kevers schrapen zich schoon en rijden
op de horizon af. Het rode beest springt hoger.

 

 

twee dagen

iets meer dan twee dagen:

De reeks Watervis Poëzie zal in januari 2017 openen met de bundel Misschien moet alles eerst op tekening hersteld van Alja Spaan (Sint Pancras, 1957). Schijnbaar banale gegevens als de tijdelijke terugkeer naar het geboortedorp, gevolgd door het wonen in de stad, leiden in deze bundel…….

twee dagen

Dat wat ik echt nodig heb, staat niet hier. Het hangt niet
op een geel plakkertje tegen de buitendeur,

het zit niet opgevouwen in mijn jaszak (de beste plek
zou zijn: achterop mijn rug zodat u schrikken

zou als u mij zou naderen en dan hard moest lachen), het
wordt mij niet bezorgd in zo’n heerlijke

bubbeltjesenveloppe. Ik houd ook erg van doosjes. Het
is zelfs tussen de regels verdwenen voor zover

het er ooit aanwezig was. Ik zou zo graag eens bedolven
worden onder woorden als: lekkernij, veelheid,

niettegenstaande, kwaliteit, rinkelend, blijdschap, maximaal,
lava, de hitte ervan, strooigoed, confetti; in

willekeurige volgorde en niet met de taak alles later weer
op te ruimen noch ervoor te hoeven zingen eerst.

 

 

het verkeer

Daarom moet ik steeds terug
naar al die plekken in de toekomst
om mezelf te ontmoeten
en te blijven onderzoeken,
met de maan als enige getuige
en dan fluitend van vreugde
over stenen en aardkluiten lopen,
met bestaan als enige opdracht,
met de weg als enige familie.

Pablo Neruda, uit: De wind,
uit: Einde van de wereld

 

het verkeer

De neiging af te stappen, op een willekeurige plek
gewoon te blijven staan, verwonderd over de ander
die in mijn linkeroor riep terwijl hij mij

passeerde ‘en wat gaan we doen?’ en opeens geen
zin meer in wat dan ook. Nu kan het zijn dat hij belde
natuurlijk en ik zijn oortjes niet zag of

een bezige hand, deze man kon natuurlijk meer dan
alleen fietsen, maar allereerst was ik ervan overtuigd
een ernstige verkeersovertreding te

hebben gemaakt, een bijna noodlottig twijfelen wat
links of rechts nu was en zeker niet te weten waar de
supermarkt lag voor de dagelijkse boodschap.

De toon was van een meelijwekkend cynisme, mijn
tempo natuurlijk te laag, een fietstas wellicht open
en een niet helemaal zuivere melodie bleef

in de vrieslucht hangen. Ik werd geheel bevangen met
een innerlijke twijfel die veel meer omvatte dan dat
moment, dacht koortsachtig na over dat

‘we’ en kwam in een onbekende wijk terecht waar
ik schroeven kocht en een heel hoog gerezen wit die
nog twee dagen in de fietsmand bleven wonen.

 

 

versiering

Zodra je lief rijdt in een oude diesel bus waarvan je
uiterlijk en logo spaarde in

hippie-uitvoering, miniformaat of zelfbouwpakket
inclusief stickers, zie je overal de VW’s

passeren en hoor je ook overal het optrekkend zware
geluid. Een beetje is dat ook zo bij

het je vader nemen als onderwerp voor een chicklit:
we kunnen geen kant op of

vaders vliegen de bocht om, halen flauwe grappen uit
met overwerkte dochters en torenen

meer dan levensgroot boven je bureau. Ook toen wij
zwanger waren, nam het aantal bolle

buiken toe. Nu nog groene slaapkamers, rafelige katten
en iets te zware, grijze vrouwen die

zo nodig moeten schrijven over afwezige mannen die
alleen maar goed waren in het verkeer.

diegene die

Beide zijden van de trap en dat twee verdiepingen lang
bungelen de kerstballen en klokken tussen

het oude staal, strikjes om de spijlen, plastic guirlandes
die vaag ruiken naar oliebollen of andere

feestjes, kleine lichtjes die leiden naar haar deur en af
willen buigen naar de mijne, hè toe,

hijgend gehamer onder het felle hallicht, worstelend
getrek met tape over de koele muren, dan weer

schuivend haar kinderlijf tegen de gang. Gelukkig zingt
zij niet. In de ochtend duw ik mij tussen

versiering en overdaad een weg naar buiten. In de avond
zie ik mij de kerstster voor haar keukenraam

alsof eindelijk de weg gewezen wordt naar het enig thuis.
Ik hoef slechts zeven trappen te gaan.

 

 

 

 

de tijd

Ze verbaast me. Ze valt niet altijd samen zoals het lijf
in de etalageruit naast me niet per se

het mijne is en mijn volle wangen niet de honger verraden
die ik nog altijd bezit, soms valt ze gewoon

tegen, zeg maar. En toch is ze precies diegene die ze had
moeten zijn. Ze is even oud daar als

de lange die naast mij stelt dat hij toch wel heel veel op
mij lijkt, alleen ontkent ze alles. Ze was

gewoon wat gevoelig. Blijf je dan niet heel lang in zo’n
stemming hangen? Vraagt hij want gisteren

was hij wel een week lang vijf jaar jonger en misschien
ook wel geeft de ik van toen antwoord,

want wat is ze klein ten opzichte van hem en wat is de
ruit vies en wat lopen er veel vrouwen langs.

 

 

 

de tijd

“Ik schrijf om het verhaal van mijn kinderjaren en mijn kinderloosheid de baas te worden en om mezelf te lokaliseren, zo niet in een lichaam, dan toch in de smalle ruimte tussen de ene letter en de volgende, tussen de regels waar de geest van de betekenis huist. De geest heeft een woning nodig en houdt zich op waar dat kan (…….)”

Hilary Mantel, uit: Giving Up the Ghost,
vertaald tot De geest geven, door Gerda Baardman en Anne Jongeling

« Oudere berichten

© 2016 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑