Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Pagina 2 van 390

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

op elke traptree iets van waarde

Bij elke handeling hier lijkt het toetsenbord sneller te bewegen
dan ikzelf, bijna alsof de computer op elke gedachte en

elke adem reageert, mijn stem registreert alvorens zij hoorbaar
is, geen schakel meer vormt tussen uitspraak en

denkbeeld, een onzichtbaar snoer aanlei tussen hersenpan en
scherm en erger nog, controleert alvorens ik dat kan.

Ongetwijfeld is het een neurotisch gevolg van het delen van
noodzakelijke veranderingen op De poëziesite van

Nederland, waar is de zomer anders voor, en het aanvoeren van
een driespan waarvan ik nauwelijks de teugels

beheer, zij halen me aan alle zijden in, kletsen nog wat na terwijl
de verbinding verbroken wordt, adviseren

het omkeren van verwachtingen, tegendraadse akties en geduld;
zo zichtbaar blijkbaar is dat ademhalen van mij.

met lege handen

Weer niets gedaan.
En weer was alles vergeefs vandaag.

Ik zocht een verre plek om onder de mensen te blijven.
Een zuivere merel heeft zich daarnet in mijn oren geknoopt
En langzaam zijn de ogen van een vrouw over me heen gegaan
Als veel lauw water ’s avonds van een zomerregen.

En slapende paren, mijn ouders misschien, hebben vandaag gehoopt
Op mij, en sloom en treuzelend zijn zij uit mij opgestaan
Als kinderen ’s ochtends voor ze naar beneden gaan
Om er te spelen met de wijzers van de klok.

Weer niets gedaan.
Dan dit geluk dat mij wordt aangedaan.

Leonard Nolens, Zomeravond, uit de bundel Tweedracht

met lege handen

Iets ijlt nog na, een boodschapper die de waren onderaan
de trap zet, een restje stem dat galmt, zanderige

voetstappen. Het hangt van de honger af of we naar onder
afdalen en de voorraad binnenhalen, het

is niet gratis. Zoiets misschien. Weten dat het er is maar
tegelijkertijd de aanbieding afslaan, bijna al

stijgt een lichte geur van verrotting naar boven, straks delen
we het op straat uit, een toeloop van mensen op

onze stoep, gretig. We hebben niets, was er geroepen, een
beest doet zich tegoed aan, het gesmak verspreidt

zich in de tuinen. We dalen af, hij houdt zijn hand op voor
een fooi, in plaats van geld krijgt hij een

high five, we grijnzen. Op elke traptree leggen we iets van
waarde, onbederfelijk, voor later, en zetten ons erbij.

van haar wortels ontdaan

And I hear her name here and there as I go from town to town
And I’ve never gotten used to it, I’ve just learned to turn it off
Either I’m too sensitive or else I’m gettin’ soft

Sundown, yellow moon, I replay the past
I know every scene by heart, they all went by so fast
If she’s passin’ back this way, I’m not that hard to find
Tell her she can look me up if she’s got the time

Bob Dylan, uit: If you see her, say hello

van haar wortels ontdaan

Erger dan de lege plekken zijn de blanco gezichten
die net nog onder je lagen met lachjes en

verhalen. Kom niet bij me met lege handen, zeg niet
dat iedereen hen kent. Pijnlijker dan

verdwenen schuilplekken zijn verdwenen redenen
om te schuilen, groot geworden past

zoveel niet meer. Het komt omdat we op de terugweg
zijn maar wie wilde vertrekken, het

pistoolschot te luid bij het oor en blijkbaar op handen
lopend in plaats van op de voeten. Verhalen

zijn om gerust te stellen dus het is goed dat ze op zijn,
de echte reden is de echte wereld, daar

wil je heus niet blijven. Zonder je om te draaien weet
je de lucht van een doorzichtig blauw.

een inventaris van de levende

een inventaris van de levende

De open ruimte is zichtbaar vanaf de zijweg, de
kale tuin loopt nu zomaar over de stoep, weg

zijn alle bloemen die ik op mijn fiets vervoerde,
struiken die in de fietsmand mijn zicht

belemmerden, zakgeld dat verdween in de aarde,
voorbij ook het geknaag van de beesten en

het schuilen dat ik beschreef. De grond van mijn
voorvaderen is omgeploegd en van haar

wortels ontdaan zoals ik verweesd ben geraakt,
een afvallige van mijn geloof, ik kijk zelfs

niet of de haan nog op de kerktoren staat. Het
huis een vierkant blok in een

vierkant veld waar geen kind meer speelt, geen
moeder zich bukt, geen vogel hurkt.

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

later kwamen daar de bijzonderheden bij

Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑