Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Page 2 of 431

afmeten

Tussen de reizigers op het perron zit een man onverstoorbaar
een ijsje te eten, zijn jas stevig dichtgeknoopt

negeert hij alle opmerkingen over kou en regen, het verkeerde
seizoen en hoe er over het algemeen niets klopt van

welke voorspelling dan ook. Een vrouw fotografeert haar
spiegelbeeld in de kiosk, er is een winnend koekje voor

een euro slechts en we moeten vijf minuten bijtellen voor de trein
naar A. Zwarte kraaien duiken vanaf

het dak naar de tegels, zomaar zijn er regels over benen die tussen
de sporen raken, een baby zoek. Een

conducteur met zangerig Limburgs accent slaat mijn uitgestoken
hand over, ik gebruik de conducteursvolgorde, zegt

hij, niets persoonlijks mevrouw. Zomaar ook zou ik tot onder de
rivieren willen gaan en mijn taal willen veranderen.

duizelingwekkend hoog

De wacht aangezegd krijgen is overal hetzelfde, de man die
aarzelend meer ruimte verlangt, zijn eigen vrouw, bed

of huis, de schoolleiding die meent dat er een verstoring in
de orde is, ongewenst, de baas die diepere

buigingen wil en alles voortaan op tijd en nu hij, witgejast,
die lijf en leven wil afmeten aan de uitslagen van

een laatste onderzoek. We voelen ons lichtelijk afgewezen,
er was immers niets aan de hand, en toch:

ook deze neemt stelling op de hoogste toren en blaast mijn
aftocht. We willen tromgeroffel maar het blijft

angstaanjagend stil, we horen kinderstemmetjes en vogels
die nog zachter schreeuwen dan daarvoor, een

man haalt de krullen van zijn vrouw uit haar hals en blaast
ze over haar schouder, iets om te onthouden.

because poetry gets directly to the point


(c) Helle van Aardeberg

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

thuis willen komen

Hij heeft een hekel aan de vraag maar stelt hem toch, zelfs in het
vertrouwde groepje dat heel zijn leven lang al om hem

hangt, waarin hij opgroeide en uitgroeide tot, en met grapjes en
gekke gezichten ons vermaakte. Hij wil juist niet

die aandacht, zegt hij, maar het is onderdeel van een groeiproces
dat huiswerk beoogt en deze vraag in zich bergt, waar

is hij eigenlijk goed in? Wat vinden wij? De een na de ander wil
het in een mail beantwoorden of mag dat ook op

deze plek? Het piept en schuurt en licht voortdurend op en alleen
dat al is positief, constateert hij. Moet ik het nog

samenvatten? Hij schudt zijn hoofd. Van begin af aan is duidelijk
hoe verliefd ik op hem ben, hoe ik hem koester, hoe

hij mij raakt maar misschien is dat wel verboden, misschien is de
les wel dat het loslaten door de ander noodzakelijk is.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

ik ben hem

In de nacht ben ik evenwel de ander. Terwijl ik me zijn neusje
herinner dat in mijn hals zoekt naar de slaap, de

vreemde geluiden buitensluitend, de handjes onder zijn hoofd,
verzin ik me hoe de really big one kwijtraakt in

stad en steeg, waan en wanorde en krijs ik, stil evenwel, om
reactie en thuiskomst en blijven vooral. De

droom is dezelfde, ik moet alle deuren sluiten, de achterdeur
is die van mijn ouders, de tuin erachter een

donker gat, koude nevels stijgen op, ik ben nog maar net op
tijd, een figuur bonkt tegen het glas, ik moet

met mijn lijf duwen om het schuifje naar voren te halen en
dan moet ik nog alle andere deuren doen. Ik

geef instructies aan overige bewoners maar er is niemand, het
huis wordt steeds groter, de kou ook. Zo verlies ik.

boven de weke hals

In de dagen dat hij weg is, ben ik hem. Ik kijk naar mijn wanden
waar ik bloemen trok van houtskool en potlood en hoor

hem roepen ‘daddy, look, it’s a daisy’ en hoop dat hij dan later
tenminste iets van mijn kunsten wil, dat

iets van alles dat ik maakte hem iets doet maken zodat een ander
kan roepen ‘look’, ik stap op zijn kleine voetjes

en verken opnieuw mezelf, zijn grote donkere ogen volgen de
draad onder mijn naald, ‘i want to have it’ zegt hij,

hij zwaait een polsje onder een groen randje met bloemetjes tot
het teveel kriebelt, hij zit op zijn hurken

en duwt met mij de auto’s een tunnel door die we maken van
boeken en doek en als alles instort bouwen we

opnieuw. ‘Don’t worry, granny’, zegt hij maar dat zegt hij ook
tegen de kookwekker, het stelt evenwel meteen gerust.

(er is niet langer een zee tussen ons, wat scheelt als je niet
kunt zwemmen – mijn meisje is met man en zonen weer thuis)

tot honderd zelfs

(tekenen van verblijf)

tot honderd zelfs

Alles heeft zijn vaste plek. De boom tikt net tegen het randje
van het raam, het stukje lucht is bijna even groot

als gisteren, de ruimte in mij teruggebracht tot het ene hart,
de wapperarmen, de stoffige knieën, het haar

torende boven de weke hals, buigend veelal, de geluiden tot
nul gereduceerd. O er is een tikkende wasmachine,

een bonkend apparaat dat aftelt tot het einde, een auto met
startproblemen geparkeerd onder de kast, twee

drie filmpjes op het kleine scherm waarin hoge stemmetjes de
holle ruimtes vullen. Terwijl hier gezocht wordt

naar tekenen van verblijf, ontstaat daar een nieuwe orde. Het
stukje lucht is bijna even groot als

de afstand tussen hand en aanraken. Glijdend naar rechts zijn
schaterlach, zwaaiend naar links de mijne.

 

 

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑