Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Page 2 of 438

zomerstop

Meander heeft een zomerstop van 15 juli tot 12 augustus. Wij wensen iedereen een heel fijne zomer!

het laatste licht vangend  

Daar waar mijn Friese familie afscheid nam alvorens weer de
oversteek te maken, dit keer met de witte weke

kadetten en het lichtroze vlees ertussen die de ober zo vriendelijk
in de servetten wikkelde en met meer geluid dan

in het dorp beneden, toeterend en een gesprek nog voerend onder
de raamposten, daar waar mijn zwangere buik in

ivoorwit omhuld omzichtig werd bewonderd, wij elkaar kussend
om de hals vlogen terwijl het toetje brandend

binnengedragen werd, daar waar ik mijn ouders nog had, mijn
minnaar achter een plant verscholen, daar waar ik later

alle dichters ontmoette en alle doden van deze stad en over een
vluchtroute nadacht dwars door het bosje, de

geiten al mekkerend en de ganzen snaterend, komt straks een
enorm zwart gat waarin dat alles verdwijnt.

 

(wand in het trapgat naar de eerste verdieping van Koekenbier,
beeld op de omslag van mijn laatste bundel)

het lichte heimwee

De stemmen zo hoorbaar door de open deur, het feestje in het
donker en tegen de buien aan, de kinderen

slapend, de gesprekken ernstiger, de maaltijd reeds sissend ten
onder gegaan. Mijn activiteiten al lang gestaakt.

Kleur op kleur bracht ik aan, voorover gebogen het laatste licht
vangend, nieuwe vormen in een vertrouwd

gebaar zoals ik bladzijden las tegen het laatste licht, nieuwe
verhalen vond die ik de mijne maakte zodat ik voor

even een ander was. Bijna ging ik op visite bij de buren en liet
mijn eigen geluid naar boven stijgen zodat het

door de deurspleet tegen me aan zou tikken, slapeloos geraakt
en van alles moe, licht hijgend en met bijna

die regen, die zachte regen, op me. Gebedeld had ik om het
restje in de pan of een gilletje in de zin.

de verkeerde soort Reuring

niet helemaal duurzaam

zo goed als echt nagemaakt

Ik hoorde de stem van de dichter des vaderlands door de intercom
in de treincoupé, met daarin het lichte heimwee

naar mijn moeders heitelân en de vertraging die hij langzaam, als
was het vanwege een smorende hitte of

weloverwogen bedoeling, ons uitlegde waarbij hij zelfs tamelijk
geruststellend klonk terwijl het toch om een

aanrijding met een persoon ging en wij alleen het weiland zagen
met daarin de koeien die achter elkaar het pad

namen, staarten zwiepend over vieze poten, op weg naar een
dagelijkse vrijheid die zomaar aansloot bij de

gebeurtenis. Zo’n man, dacht ik nog, moet natuurlijk gewoon iets
bijverdienen, wie zit er nog op hem te wachten

en zomaar verlangde ik naar mijn mamma als medepassagier die
met gulle hand een snoepje uit haar tas zou toveren.

soms valt er iets uit een oor

Dat ‘blijf’ te horen en dat zachtjes trekken aan mijn lijf zodat
ik achterover val en terug, eerst het haar, dan

de rest, daarna het uitzicht door de open gordijnen. In het donker
oplossen, de ochtend weg, de droom opnieuw.

Er hangt een naam tegen de winkelpui, oranje papier met grote
letters achter plastic, meerdere namen met

opdrachten daaronder. Hij moet eerst zijn shirts halen, de straat
is lang, er lopen veel mensen. Ik hoef niets, er

verregent een belofte, hij verdwijnt. Zijn hand ligt later op tafel,
los zomaar, hij moet stoppen met nagelbijten, ik

leg mijn hand bovenop, er volgt geen arm, hulpstukken zijn we,
zo goed als echt nagemaakt. Opstaan was

beter geweest, weggaan ook. Niet zachtjes maar nadrukkelijk
zoals een slaande deur, de bel van de winkel rinkelt.

zo was dat nu eenmaal

We plannen de data, stemmen ze op elkaar af, halen een kruisje
door een vorige poging, vouwen de bladzijden om,

een touwtje om het laatste halfjaar, een elastiekje om het komende,
slechts één pagina los en half overeind. Soms

komt het overeen met het hoofd, soms valt er iets uit een oor, soms
gaat een mond open en knapt er iets achterin. Vaak

ook heeft het niets te maken met dat wat we voelen. Als die ene
bladzijde rillen we in een zuchtje wind, trekken

aan het strikje rechts van ons en schuiven ons haar in het reeds
uitgerekte en van krachten ontdane bandje, we

scheuren onszelf lichtjes los, verder is het afwachten op gretige
handen of opkomende storm die niets ontziend met

al onze voornemens speelt. Het einde zou open moeten zijn zoals
een afspraakje met een nieuwe minnaar.

bij hem ook

Voor de telefoon was in zijn zwembroek nauwelijks plaats en
bovendien kon hij zo niet gaan zwemmen, er

verschenen bobbels op vreemde plekken en hij moest nu juist
niet gaan opvallen, zodoende waren er uren

verstreken alvorens hij haar kon berichten. Ze moest dat toch
begrijpen. Bij haar lag dat ding gewoon

op tafel, ze had minder verplichtingen dan hij, zo was dat nu
eenmaal. Op het toilet had hij soms een haastige

boodschap ingetoetst, zijn darmen speelden op, en ook wel na
de maaltijd als de kinderen even loom als hun

moeder in de hangmatten lagen en zachtjes wiegden, eten in de
zon maakt moe. Zij verzonnen sprookjes, hij

leefde er een, nou ja, tussen bepaalde tijden dan. Het werk ging
altijd door. Zo noemde hij de ander: werk.

met opengedraaide ramen

Als een nieuwsgierig kind komt hij heel dicht naar de lens en
kijkt, bijna scheel, mijn wereld in. Hij trekt haar

met zich mee en grijnst. Ik kan sproetjes tellen en zien hoe haar
wenkbrauwen smalle getekende streepjes zijn,

haar lippen bijgevuld zijn en getuit voor een oranje kleur die
het gezicht geel maakt. Bij hem ook. Er is iets

ondefinieerbaars veranderd en het duurt lang alvorens ik hem
terugvind, ik neig een stapje achteruit te doen,

een terras in de zon, het centrum van Z., weinig verkeer, een
blaffende hond, waarschijnlijk staat haar

gelaarsde voet op een riem van een klein opgewonden harig
accessoire, ligt er een peuter te slapen in

een hete auto op het dorpsplein, is ze vergeten de ramen open
te draaien, heeft ze hem dat allemaal niet verteld.

de staat van poëzie

Het was alsof iemand in haar nek hijgde en bijna toe zou slaan,
ze zou ongetwijfeld verslonden worden en dan

uitgespuugd in het water belanden, ze liep midden op de brug,
in de bocht kwam een rondvaartboot heel

langzaam tevoorschijn, kinderen in een rubberen bootje met
peddels die sloegen op de bijna witte golfjes,

een hond die schudde met zijn vacht, pratende en etende mensen
aan de waterkant, uitgestrekt en vrolijk terwijl zij,

ze durfde even opzij te kijken en zag niets en dus was er niets,
toch versnelde ze haar pas, hield haar tas alsof

ze daarmee elke vijand zou kunnen neerslaan en merkte toen
dat het piepende, zuchtende, steunende geklaag

vanaf de straat kwam waar de auto’s in een file stonden met
opengedraaide ramen en de zon blikkerend op het dak.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑