Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: januari 2019 (page 1 of 5)

“Taal is mijn huis”

In de serie ‘gesprekken met Meandermedewerkers’  Yolandi de Beer.

 

“Taal is mijn huis”

een dubbelrol

Misschien zou je nu niet eens moeten schrijven maar zwijgend
de week doorstaan zoals Moederdag niet die ene

dag is of voor een bepaalde rol maar elke dag en voor alle kinderen,
zo bepaalden vroeger de mijne. Benoeming en

kadering wekken een bepaalde argwaan en een stampvoetend verzet.
We gaan in deze speciale week nu eens lekker

de hele dag kleien, punniken of ons haar verven en niets rijmt op
iets en zeker gaan we nergens naar toe. We zijn

helemaal vrij in onze beweging en voelen pas volgende week of we
nog thuis kunnen komen in het vers, misschien

kiezen we voor sjoelen, bergbeklimmen of een andere leeftijd, er
moet ook nog iets speciaals om de hoek liggen maar

waarschijnlijk genieten we dan pas volop van alle mogelijkheden
die de onbeperkte taal ons biedt, rauw en open.

andere willekeurigheden

In de droom troost ik door zijn hand te houden, bang als hij
is, het is hetzelfde als tegen de kussens aan liggen

en doen alsof een lief daar slaapt of liever wakker nog. De
angstige vriend in de nacht met wie ik

rennend over pleinen en door straten ga, met wie ik me schuil
houd en verkleed een andere keer de deur openzet,

die huilt en die mijn vingers over zijn wang voelt glijden of
mijn tong likkend, ben ikzelf, het bed is

immers leeg. Het doen alsof, zowel de reddende engel zijn
als de belaagde, zowel het gevaar als de

geruststelling, is een dubbelrol die ik slapend en helder een
volgende morgen, gewend ben. Hij bedankt

me, daar, vannacht, ik zwaai mijn benen over de rand en ren
een nieuwe dag in, de dreiging blijft.

hard rennend van de ene hoek naar de andere

Of hij het nu vertelt of niet, of het praatje stimulerend is of
dodelijk saai, of er een waarheid is of niet,

het zal niet anders zijn dan andere willekeurigheden, niets
zal echt het gedrag bepalen dan gewoonte,

discipline, aard en afkomst, omstandigheden die er al waren.
Voor of na die tijd blijf ik hetzelfde, het is

mijn manier natuurlijk om een belangrijke afspraak tot een
hanteerbare proportie te brengen. Graag

zeg ik op het laatste moment af, er zijn genoeg smoezen, om
dan een enorm gevoel van vrijheid te krijgen,

ik ben opeens eeuwig jong en reuze zelfstandig, dat soort
ruimte is mij het liefst. Degene die op mij wacht,

zijn agenda doorhaalt, mijn naam schrapt en al bladerend
pas maanden verder weer noteert, zucht.

kinderen stonden stil

’Doelen bereikt – ja. Maar zonder voldoening, Friedrich. In het begin duurde de roes over een nieuw succes maanden. Maar geleidelijk is die vluchtiger geworden – weken, toen dagen, uren zelfs – en nu vervliegt het gevoel zo snel dat het niet eens meer in mijn huid dringt. Ik geloof nu dat mijn doelen bedriegers waren – zij waren niet de werkelijk bestemming van de oneindig veelbelovende knaap . Vaak voel ik me gedesoriënteerd: de oude doelen werken niet meer en ik ben de gave kwijt om nieuwe te bedenken. Als ik bedenk hoe mijn leven is verlopen voel ik me verraden of bedrogen, alsof er een hemelse grap met me is uitgehaald, alsof ik mijn hele leven heb verprutst met dansen op de verkeerde melodie.’
‘De verkeerde melodie?’
‘De melodie van de oneindig veelbelovende knaap – de melodie ik mijn hele leven heb geneuried!’
‘Het was de juiste melodie, Josef, maar de verkeerde dans!’

Irvin D. Yalom, uit: When Nietzsche Wept
vertaald tot Nietzsches Tranen door Else Hoog

kinderen stonden stil

Pas in de boomhut, licht tussen de zwaar buigende takken, krakend
en heen en weer schommelend alsof we hard rennend

van de ene hoek naar de andere springen, is er een evenwicht dat
tussen de ene gedachte en de andere spant, een

tevredenheid met de woorden van een derde en die van onszelf,
geneurie onder de muziek door dat ijl en hoog

bijna in gesprek gaat met ons. Eerst het voedsel, de flakkerende
kaars, het verstommen van alle eerdere geluiden dan

die van de wind, het spookdonkere en glanzende oppervlak door
de natte ramen, een klok die slaat, dan dat

wiegen dat bijkans spel is. Alles vervangt je tussenkomst en de
behoefte dat je ingrijpen zou, er is niets dat we

niet eerder zagen. Het bladerdek een constructie die niet bedacht
is maar toch werkt evenals de stammen die ons dragen.

geven slechts door wat anderen winnen

Dat je thuis bent en in je stoel zit en denkt ‘was ik maar thuis’,
zegt hij, of ik dat ook wel eens heb? Ik zie

de kamers van weleer, de hoge witte wanden, maar ook mijn
moeder en haar breiwerk, mijn vader in zijn boeken,

een autotijdschrift, zegt hij nu, er lag altijd een nummer op de
tafel, zaten ze eigenlijk naast elkaar? Of hoe er

nu een witte hond zijn poten legt op onze vensterbank en blaft
naar de voorbijgangers, onze kat flirtte vaak,

er werd getikt tegen het glas, kinderen stonden stil. Dat ik alleen
maar thuis ben bij jou, denk ik dan en hij,

dat hij gerust niet alles zegt, maar in zijn handen tussen ons ligt
het onzegbare en ik heb immers zijn handen vast.

Ja, zeg ik. Zijn haar nog nat en achterover gestreken is hij zowel
mij als mijn ouders, jong en oud, daar en hier.

een gezicht onder een gezicht

Blijkbaar is die dienstbaarheid een dergelijk groot goed dat het
de enige kwaliteit is die blijft staan. Zo zijn we

geen groot dichter, komen in geen enkel meervoudig en bevlogen
overleg voor, geven slechts door wat anderen winnen,

terecht, zoals we kinderen verzorgden, mannen, poezen, planten,
de een nog doder dan de ander. Hypothetisch

hadden we ons de vraag gesteld hoe lang we zouden kunnen leven
op dergelijke roem, harde pegels tussen onze binnen- en

buitenmuur, overleven op de vierkante centimeter maar nu met
een stap daarbij, buiten waren we immers welkom, even

deden we wat de coach jaren geleden riep, we moesten visualiseren,
heus, alles zou bereikbaar zijn. In deze maakbare tijd

is het onze eigen schuld als iets niet lukt, ergo, wat zijn woorden
waard als je er geen wegen mee kunt plaveien.

de rest vervaagde

We staan niet op de longlist van De Grote Poëzieprijs 2019. 

de rest vervaagde

Vannacht was er een huis in een huis, een gezicht onder een
gezicht, ik trok een plastic hoes vanaf zijn oren naar

beneden en hij grijnsde. Er zat nog een laag onder zijn huid
zoals er nog een tuin was in de huiskamer met

een ingang naar een andere woning, ik verdwaalde niet, ik
ontmoette oud collega’s, liefjes van weleer,

ontweek sommigen, werkte tussendoor, haalde verslagen uit
een ratelende typemachine. O om hem te zien

daar en niet te spreken, alleen maar vanuit de verte voelen dat
hij terug keek, luide stemmen die terug gingen naar

het gesprek van toen. Vannacht was ik de dienstbare secretaresse
die het brood van haar meerdere belegde met

vers gehaalde spullen, zijn das strikte, zijn tas vulde, zijn droom
klaarlegde en zelf erin omkwam, bruikbaar dat wel.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑