Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: januari 2019 (page 1 of 4)

een bevroren houding

Het is haar foto, ze heeft hem laten kijken naar een het vogeltje
maar dat vloog blijkbaar de verkeerde kant op, ze

weet niets van rechte horizonnen of andere juiste verhoudingen,
waarschijnlijk lacht ze zelf wat dommig of

steekt haar duim op, nagels puntig en lang en roze. Hij kijkt mij
niet aan, gelukkig ook maar. Ze heeft het

kraagje onder zijn trui omhoog getrokken en toen over de rand
gevouwen zoals ze hem uit een vreselijk verhaal

heeft gered en rechtop heeft gezet, hij was werkelijk in een zeer
slechte staat toen ze hem aantrof maar kijk nu

eens. Allemaal haar werk, ook die belabberde kleurkeuze, die
achtergrond, zelfs die vogel. Ik herinner me dat ik

bovenop hem zat en zijn pupillen donker werden terwijl de rest
vervaagde en tot honderd telde voordat hij kwam.

zo’n verzinsel zoals ik mezelf dat geef

dat gij, ofschoon alles veranderd scheen,
dezelfde zijt, dat ge niet kunt verkleinen
binnen de eenmaal vastgestelde lijnen,
waaruit alleen de achtergrond verdween.
Over de hongervlakte van de tijd
roteert de verte om een oud profijt.

Gerrit Achterberg, uit Potentieel
(Voorbij de laatste stad)

zo’n verzinsel zoals ik mezelf dat geef

Er zijn stukjes tijd die tussen perioden blijven hangen als eerste
dagen van een nieuw jaar zonder goede

voornemens, examenuitslagen waaraan geknoeid is in hete zomers
die langer duren, liefdesbrieven die per post nog

verstuurd worden waarvan het adres bij nader inzien niet klopt.
Gestolde beweging tussen het je hand optillen en

hem laten neervallen bovenop hem bijvoorbeeld of een bevroren
houding die het schrijven in een koude ruimte met

zich meebrengt, naakt tussen de zwarte figuren buiten. Hangend
boven een gerecht waarvan je de geur in je haren laat

trekken maar nog niet mag proeven. Wachttijd met de lichte
opwinding van niet zeker weten, nog niet, een

kriebel in je buik die pas verdwijnt als het beeld doorloopt en je
nog steeds dezelfde blijkt als kort daarvoor.

doeg

In de wachtkamer, willekeurig welke, verzint men zich heuglijke
aflopen en aflopen zonder meer voor elke verlegen

bezoeker. Er zijn maar weinigen die met bravoure en luide stem
de stilte doorbreken, een enkeling fluistert tegen de

trouwe partner die elke keer blijft zitten tot zij weer verschijnt,
jassen op schoot, er zit vast iets

waardevols in de zakken. Een jongen kust de verpleegster, soms
ontmoet je een oude schoolvriendin, een zusje,

een voormalige geliefde. De mijne vraagt of het bezwaarlijk is:
een gaatje in de regenboogstreep van mijn verkleurde

arm, daar vliegt mijn vader boven de wolken uit en groet, en vraagt
zo’n verhaal, zo’n verzinsel zoals ik mezelf dat

geef: een geruststelling alsjeblieft maar ook een acceptatie van de
feiten, we komen hier tenslotte allemaal voor hetzelfde.

de gunstigste temperatuur

Soms is er een regenboog in de lucht, vertel ik het scherm
waarachter grote ogen mij volgen, omdat de zon

en de regen er tegelijkertijd zijn, mijn kleinzoon glijdt van
zijn stoel en kijkt door het raam, komt terug

en klimt weer in mijn beeld. Voorlopig zijn er alleen kleuren
in het voorleesboek waaronder beesten uit

de stal in een groen weiland staan, hij schatert als ik andere
namen noem, neeee oma, roept hij. Er is

een ‘wordt vervolgd’, de koe doet alsof hij een olifant is, het
gras is nat, achtereenvolgens wit en weer later

bruin. In de lucht sterren, een maan en dikke vlokken sneeuw,
hij weet waar ik woon maar eerst moet

de koe in de stal, de boer voert haar hooi, dan wijst hij naar
Nederland en zegt geen bye maar doeg.

andere bewijzen

Het vers lijkt nooit leger dan nu de velden wit berijpt zijn,
aan elkaar grenzen zonder bedoeling, de mensen

thuishouden, de lijven huiverend van extra lagen voorzien.
Juist nu is het overzicht loos, strekt zich

van duin tot straat, rolt zich zonder begin en eind voor deze
voeten, mist zin en betekenis. Te koud zonder

jou. Waar het over ging, het warme plukje adem in een wolkje
boven je mond, de kleverige handpalm, de

gunstigste temperatuur net onder je krullen in je hals, is niet
meer te meten, ik haal de wintertruien uit

de kast. Het wachten is op gunstiger tijden. Morgen misschien
rijgen deze regels zich weer om jou zodat

een ieder zich kan warmen. Morgen misschien bereikt de zon
een hoger punt en vult de kamers van je hart.

lege natte velden

Er zou een foto moeten zijn waarop zij hem hoog houdt, een
stralende zon, een jurk met bloemen maar dat beeld

bestaat niet, hij heeft er lang naar gezocht omdat hij dacht zich
te herinneren hoe dicht hij bij die warmte was

geweest maar er is niets. Daarna ging hij andere bewijzen na:
er zou een flard film zijn waarin zij hem op schoot

heeft en tegen zich aanhoudt, hij kraait, maar ook dat half zingen
van hem had hij nooit gedaan of dat misschien

nog wel maar dan bij een boterham met stroop, een tomaatje met
suiker, een treintje over de rails, de staart van

een hond. Weer later is alles het tegendeel, zij heeft nooit bestaan,
hij was er nauwelijks, zij was er nu juist wel maar

hij was er niet, zij had hem omgebracht in al die stilte en van
bloemen had ze nooit gehouden, ook niet van zon.

voordat iemand anders het doet

“Met de man kies je ook het verdriet waar je het meest van houdt.”

uit I.M., Connie Palmen

voordat iemand anders het doet

Er waren altijd andere redenen tot opstaan: pannenkoeken bakkend
om half vijf in de ochtend, tollend van slaap omdat

een kind ploegendienst draaide, fietsen in de steeg terwijl het nog
zwart was buiten en tassen onder de snelbinder met

briefjes en driedubbel gelaagde boterhammen en zoenen nat en
veel opdat alle kinderen op tijd kwamen, drie

lijven tillend op een fiets zodat ik voordat ik werken ging het plein
kon verkennen en het humeur van de leerkracht,

zo vroeg ergens zijn dat er altijd koffie was als de anderen binnen
kwamen, nodig zijn kortom of de gedachte dat ik dat

was, terwijl nu de nacht helder en bijna wit het spiegelende oppervlak
toont van besneeuwde wegen en lege natte velden,

wakker dus verzinnen wij vakanties, logeerpartijen, afwezige derden,
lekke banden; alleen de pannenkoeken blijven.

“Wij weten nog zo weinig”

Interview met Atze van Wieren

“Wij weten nog zo weinig”

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑