Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: augustus 2018 (pagina 1 van 4)

waarachter de figuren dansen

In de ruimte herken ik alles, alleen de afmetingen zijn
teruggebracht naar de verhouding in onze

jeugd zoals de verzamelingen, voorzichtig in de kasten
geborgen, jaren terug al door zijn handen

gingen, keurend en proevend en elke keer weer opgetild
en betast. Ik herken mezelf in alles dat

daar staat. Bovendien kom ik onze kinderen tegen, in
klein formaat en tussen de lijst van schilderij

en buiten, in het blikken beertje met trommeltje dat te
strak opgewonden niets meer deed, de

autootjes die keurig geparkeerd op hun chauffeurs wachten,
de tekeningen waarin wij onder zonnen en

pijpenstelen regen in een huisje zitten dat zij zelfgebouwd
net iets steviger vonden dan dat van ons.

een permanente schuilplaats

vannacht viel mijn 1e collage van de muur;
moeheid, vermoeden we, omdat hij al vanaf
2001 hoog gehangen was

een permanente schuilplaats

Vaak lopen er beesten uit de kieren, kruipen er kleine
wezens uit de naden, spelen schaduwen in

de ooghoeken kiekeboe, staan er onzichtbare wezens
om de hoek van de deur. Soms ook

komt een muur los in de ruimte te staan, zweeft een
flatgebouw een paar centimeters van de grond,

een boom steekt haar wortels in de lucht. Een kast
begint haar planken te verliezen en

schiet ze los in de kamers tot ze ook zelf van de wand
komt en in elkaar stort en de kunst, de kunst

tenslotte, verwatert en loopt door elkaar heen. Schaterend
vermengt de verf zich en zuigt zich

terug in de pot terwijl het glas van de lijsten waarachter
de figuren dansen vingers doet bloeden.

een moeder op leeftijd

‘Hoewel die doodgewone, alledaagse ordeningen juist door alledaagse herhaling ook een soort ritme in ons bewerkstelligen dat ons stuurt, als het ware buiten onze wil, wens of geheugen om, zodat het lijkt dat het ons niets meer kost. En toch gebeurt het weleens dat we onverwacht een vreemde verstoring van dat ritme ervaren en een moeilijk te overwinnen kwelling beginnen te voelen. En als we dan juist met de afwas bezig zijn, zouden we het liefst alle borden, bordjes, schoteltjes, kopjes, glazen, glaasjes aan barrels willen smijten en alle pannen, koekenpannen, lepels, messen, vorken weg willen gooien.
Dus laten we ons niet afleiden door gewoonte, want die houdt eenzelfde risico in als elke andere ordening.’

uit Ostatnie rozdanie, Wieslaw My’sliwski, vertaald tot De laatste hand door Karol Lesman

een moeder op leeftijd

Door alles op te schrijven weten we voorgoed hoe het
voelde, niet per se hoe het was, de werkelijkheid

ligt ergens tussen beide. Het herinneren is discutabel.
Zij beweert stellig dat we daar waren,

de zomer nat, het huis blinkend van de regen, kinderen
met blote voeten kletsend door de gangen.

In de hal opgestapelde torens van zijn bezittingen, een
trui tussen de kostbaarheden, wat was

er nu eigenlijk van waarde als je toch ging, wat papieren
tussen de lp’s, munten nog in een gebarsten

beker. Tegen het raam zijn zwarte gestalte die rokend
stond te wachten tot hij binnengelaten werd.

Dat we dat niet wilden: we bleven spelen in de hal en
verzonnen ons een permanente schuilplaats.

die passanten

Dit keer zaten we aan een klein tafeltje waarop de glazen
thee botsten tegen de papieren, de schermpjes,

het bakje met chocolaadjes, de meisjes die af en toe kwamen
vragen of alles naar wens was, hadden we

niet nog iets nodig, en vielen de geheimen tussen een hard
werkende nors kijkende jongen, twee Engels

sprekende stelletjes, een moeder op leeftijd die een glossy
las aan de leestafel en een broer en zus die druk

overlegden welke workshop ze op hun laatste vakantiedag
zouden doen. Het was alsof de site al in de lucht

was en iedereen mee kon kijken, misschien een vertaling
vroegen de toeristen, misschien wat meer foto’s

zei de moeder, kunnen wij dat ook leren opperde de familie
maar de jongen vertrok en liet zijn bestelling staan.

die passanten

ik hou van mensen die blijven, zei hij,
we stonden samen onder het afdak te turen
naar het kantwerk van de winterbomen
en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan

hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd,
langs vergane boomgaarden, nabij tere beken,
voor een gesloopt huis hield hij halt en
keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde
aarzelend sloop er zomer in zijn stem
en ik zag dat hij even weg was

Victor Vroomkoning, ik hou van mensen die blijven
uit: Een mens op de bodem

het kleinood

We hebben een getuige van het leven nodig, iemand
die alles heeft meegemaakt en er nog steeds is

zoals een boom die zwijgend zijn plek innam terwijl
de soldaten langs hem marcheerden, de man

het touw uit de garage over de tak gooide, de vrouw
haar rokken opschoof, het kind de poes

begroef, de hond zijn poot oplichtte. We hebben het
leven nodig als getuige van onze wanhoop,

ons twijfelen, die passanten, de uitkomst, de goudgele
stinkende klaterende stroom, het gras

geel, bruin, groen, kort, lang, de tuinman die in rondjes
om ons heen draait en elke keer onze rok

keurig naar beneden trekt, een kat die hoog klimt, een
man die hem redt, een kind dat beneden wacht.

alsof alles mij al is verteld

Ze noemden haar Klein Botje omdat ze in haar schort
het geluk beentje droeg dat ze ooit achter in

de tuin opgegraven had en sindsdien nooit meer vergat,
het liefst het schoongewassen ding in haar

hand hield, de rechter, zodat ze met links groette zoals
ze al schreef, een beetje onhandig en verlegen.

Ze geloofde echt dat ze zonder dat geluk niets kon en
zeker voortijdig zou verdwijnen al leek dat

niet eens het allerergste dat zou kunnen gebeuren. Ze
lachten haar uit. Voor mij legde ze

heel even dat ding op tafel en streek met een vinger
over de vorm. Haar oude hand haakte zich

links in de mijne en kneep lichtjes. Daarna borg zij het
kleinood en wachtte tot iemand haar haalde.

een flard van de blauwe stof

Met wenkbrauwen die aan een staatshoofd uit dat onbegrijpelijke
land doen denken en aan mijn grote vader die,

hoewel hij nooit schreef in een verkeerde tijd geboren te zijn of
te liggen in een greppel zoals ik dat deed, zomaar

over de steppe jaagt alsof hij alsnog, en in een versje van troïka,
sneeuw, sporen van bloed en de naam Wladimir

zijn rol speelt, en hier aanwezig is, lijkt het alsof alles mij al is
verteld. Foto’s vanuit een vroeg Londen, de

jaren dertig, landelijke wijken met tuintjes die aflopen in een water
waar mijn dochter haar was spoelt, kinderen in wit

gesteven jurkjes en broeken tot op de knie en dichteressen met mijn
naam met lange gezichten en grote neuzen die zo

op de hoes van Sad Eyed Lady of the Lowlands voor mijn terugkeer
hadden kunnen zorgen, zwijgend zorg dragend voor.

(naar aanleiding van What you did not tell, Mark Mazower)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑