Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Pagina 2 van 358

twee kamers waartussen

Er zijn dingen die ik helemaal nooit meer doe: mijn
benen openen, mijn benen sluiten, alsof ik

eindelijk zwem, jouw gewicht voelend met kleren aan
verzuip, boven kom en stil lig, voor altijd

doortrokken van een groot besef van leegte. Er zijn
dagen die ik helemaal niet meer ken:

je van me afschuddend terwijl je over mijn rug hangt
en bij elke beweging je vaster maakt, je

lach als de hand die me het oversteken leert. Er zijn
mensen die ik helemaal nooit meer zie:

jou, de ouders die voorbij de spoorlijn liggen, liefje
X., mezelf als dertienjarige, de man die

muziek maakte bij de lege polder achter zijn huis of
de zwemster die iets te enthousiast sprong.

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

het zoeken van zijn mond


Alkmaar, 8 november 2017

het zoeken van zijn mond

Je omlijnt je lippen en drukt ze op een wc-papiertje af,
je tekent met het potlood op de spiegel, je

vult ze met rood en plaatst ze op de toch al niet schone
boord van zijn overhemd, je stuurt ze

met flutterig handgebaar overzee, naar de hoek, naar
de persoon op straat die je aanzag voor

familielid, je tuit ze en maakt je eigen afbeelding, je
deelt jezelf, zij wast je weg, boent je groter

eerst, hij probeert een krul over je attentie maar de geur
zit al in zijn lijf, je trekt je

ene streep over de andere, je knijpt je ogen dicht, je doet
hetzelfde, je duwt je in de plooi, veegt met

nonchalant gebaar je mouw vol, proeft de rest van de dag
de gladde smaak van boter en niet jezelf.

verontschuldigend

Lang bleef ik denken dat het gewoon kon: ik zou op
het ronde raampje kloppen en wachten tot

zijn hoofd langzaam boven kwam, de deur van het
vooronder ontsloten, dan de vier dansende

stappen, de verende krullen, de grijns, de kajuitdeur
en het mij naar binnen trekken waarbij

het lijf tuimelend in touw en olie, voorraden en water
bijna, fietsen, boeken, lampen, stuur

en kapitein, opeens weer zou weten hoe het leven
werkt, terug zou grijnzen, geen woord zou

uiten dan het likken aan zijn hals, het bijten in zijn nek,
het scheuren aan zijn overhemd, het zoeken

van zijn mond, terugvallend in het ruim van een schip
dat varen kon naar het begin van de rivier.

het verschil

Als ik nog eens de kans krijg, zegt de vrouw naast me op
geheime fluistertoon, moet ik beslist de

zonsondergang in de woestijn bekijken. Ik zeg dat ik een
huismus ben en ik lach wat verontschuldigend.

Ze schuift wat ongemakkelijk heen en weer, ze is nog niet
gewend aan de beslotenheid van het tehuis, de

regels, het feit dat haar man en camper weg zijn, haar huis
verkocht is, haar kinderen, zoals ze zegt, ‘op

safe spelen’, een beetje zoals ik, denk ik. Het is nog maar
een paar maanden geleden dat ze alles bezat.

Ik dacht u laatst op straat te zien, zeg ik haar, het geheim
wordt groter: regelmatig gaat ze terug naar

haar oude straat, ze laat zich toch niet beperken, haar hoofd
is nog goed, de zon, zegt ze, in die woestijn!

En net als ik denk aan dat hoofd, haalt ze een kaart uit haar
tasje, Saoedi-Arabië en xxxxx op de achterkant.

 

(we lazen gisteren weer voor in verzorgingshuis de Kooimeer,
uit de verhalen van huismus Wil Bijlsma)

waar alles gebleven was

Rijksmuseum, 6 november 2017

 

waar alles gebleven was

Er zou een taart zijn waarin Barbie haar puntige voetjes
in de slagroom stak en nauwelijks bleef

staan, veertig bananenbootjes behoedzaam over straat
gedragen met bungelende

masten van chocola, een feesthoed met slingers van papier
naast haar grote blonde

staarten, vriendjes die gillend op witte t-shirts en plakken
deeg het verschil mochten maken, een

worstje rechtop, hele ananasschijven als zon, er zou een
pappa zijn nog die glunderend

kleurplaten printte met daarop dinosaurussen die leefden,
een mamma die alle vaders en moeders op

de koffie vroeg en later zou zij zeggen dat haar opvoeding
de meest geslaagde was, vergeleken met de rest.

(mijn meisje zomaar 31 vandaag)

de anderen

Van heel vroeger de filmbeelden waarin wiebelende auto’s
en stuntelige mannen het hele verkeer bepaalden,

ophielden en lachwekkend waren, het een beetje gegeneerd
grijnzen om zoveel misverstand en onrecht dat

het bijna huilen werd, de straat vervolgens leeg en een lichte
verwondering waar alles gebleven was. Misschien

voel ik me zo: een lichte botsing met een tegenligger die niet
dodelijk maar raak is, uit balans brengt,

rammelende onderdelen uit haar voegen stoot en met extra
veel moeite de weg een golvend geheel maakt,

terwijl alleen maar rechtdoor rijden is wat je wilt. Bovendien
wil je geen besmuikt gelach en geen traan om

dat wat misgaat, geen publiek bij de poging de rit te hervatten
en zeker geen beeldbepalend verlies.

de anderen

“Ik ben terwijl ik dit alles opschreef gaan begrijpen dat iemand die van een mens het handelen beschrijft, ondoordringbaar is, en dat hij daarom schrijft.
Waarom dit zo is weet ik niet. Het is het raadsel. Uiteindelijk worden we doorzien, of laat ik zeggen: uiteindelijk geloven we dat er meer van ons te weten valt dan wij van onszelf weten.”

Willem Jan Otten, uit: Ons mankeert niets.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑