Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Page 3 of 434

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

open einde en inwisselbaar

De heer S. zegt dat hij normaal liever televisie kijkt maar dat
ik het heel aardig doe terwijl mevrouw de B.

meent dat het wel wat harder kan, ‘schreeuw het maar uit,
meissie’ en niet vanwege het portie leed dat

ik voor hen in leuke verhaaltjes vat maar omdat ze hartstikke
doof is. Ze schuift zelfs door tot naast mij zodat

mevrouw V. haar vaste plek kwijt is, de heer R. onthutst de
verkeerde hoek neemt, mevrouw Z. van de

weeromstuit naast mevrouw T. belandt die ze echt liever niet
ziet (zou ze aan de etenstafel zitten, ze kreeg geen

hap naar binnen) en de heer W. in de andere zaal plaatsneemt
waar dames verontwaardigd doorgaan met

punniken, breien en kletsen vooral. ‘Mevrouw de B.!’ willen
we roepen maar ja, dat hoort ze nu eenmaal niet.

dit keer vanwege

Hij houdt niet van woorden als vooralsnog, niettegenstaande,
halverwege, ik wel. Hij gebruikt geen

termen als obstinaat, consciëntieus, wanstaltig of langdurig, hij
zegt ook niet ‘ik hou van je’, ik wel. Hij

grinnikt bij fase en tussenvoegsel, open einde en inwisselbaar
en dood is voor hem nog altijd leven. Dat

ik dat maar weet. Zo kan nog altijd mijn budget lager, mijn
verplichtingen minder, mijn hart iets

minder bloedend. Ik zou iets minder zwart kunnen dragen en
moet iets verzinnen voor al die losse haren op

de grond en verder is het een praktische overweging om mij
in te lijven, te gebruiken en te vervangen daar

waar het verdienmodel blijft steken in een gedachte alleen: zie
toch hoe lief ze daar ligt bovenop haar prachtige borsten.

iets dat langere armen heeft

De jaarlijkse uitgave van het Nederlands Dagboekarchief wordt dit keer – vanwege het 10-jarig bestaan van het archief – een hommage aan de lezers. In de bundel die twee dagen na de Dag der Dagboeken, 14 juni, wordt gepresenteerd bij boekhandel Blankevoort in Amstelveen, een aantal van mijn gedichten waaronder deze van december 2018

FEESTELIJKE UITNODIGING (005)

 

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

krachtmeting

Er is iedere keer een boosheid die zich tussen twee pauzes en
twee ogen schuilt, het ligt onder een frons en

komt uit een mond die zuur en dun wijder wordt, het slaat met
een hand het voorgaande weg en belooft niet

veel goeds voor het volgende. Er is een gedachte die zwaarder
weegt dan het lijf bovenop hem, iets dat

zwarter is dan haar melkwit en iets dat langere armen heeft. Hij
beweegt niet langer, zij stapt af, raapt de kleding

van de vloer. Aangekleed wacht de nieuwe dag, koffie, broodjes,
het ei precies zo hard als hij het wilde, zon,

de auto op de hoek, als hij voortmaakt is er nauwelijks tijd verloren,
hij lacht alweer. Zelden staat hij zich

de lichtheid toe van haar bestaan, zij keert de lege dop en geeft
hem een lepeltje, hij moet verrast kijken, deze keer.

zodat je tenslotte zou knipogen

Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).

het wil geen tekst

Ik las uit je boek en liep langs je laan waar alle bomen dunne
stammetjes waren en huizen elkaar opeens in de

kamers konden zien, en ik stelde je opnieuw voor aan de lezer
en allemaal dachten ze dat je misschien familie was

van die aardige man op de hoek die een winkel dreef in elektronica?
Of ook dat je tussen hen zat en ze jou allang kenden

maar niemand herinnerde zich de verhalen of de volle wuivende
takken uit eerdere jaren, zelfs niet toen ik de foto’s

die jij scheef en snel tussen de bladzijden had geplakt, in de hoogte
hield terwijl mijn duim en vinger op jouw ogen

drukten zodat je tenslotte zou knipogen of een beetje huilen, weer
zou leven kortom terwijl alleen het zien van

die armoedige beplanting je het einde zou aankondigen, van jezelf,
de beschaving, het ons en de vogels.

een ondoorzichtige zwaarte

Het verlangt een hand die steeds zachter, een vinger zelfs,
alsof terloops een afspraak wordt nageleefd,

een korte rilling vanaf de halslijn, een warmte tussen, een
te lessen dorst omdat het eindelijk zomer is.

Het wil een bekentenis. Het wacht op een zucht, een ogen
gesloten, verandering van kleur, zwaarte, druk,

het wil zich keren en wentelen, strekken en schaven, het
zweet dat zich, en dan. Het wil

de herhaling, het begint aan de knoopjes, het glijdt naar
beneden, het haar dat als eerste valt, het

sleept tot over de grond. Het wil geen tekst, de schreeuw
misschien, de geur van aarde door het

open venster, gras gemaaid in golven, de damp van, het
uiteenvallen, het opnieuw verzamelen, het.

we gunnen haar ook wat

“Zijn vader had gelijk. Eindes zijn allemaal hetzelfde, alles eindigt op dezelfde plek. Je verblijft liever in een mooie kamer, de kamer waarvan je nu vaak droomt, een kubus binnen in een kubus. Vanuit de bovenste en onderste hoeken van de kolossale ur-kubus zijn kabels gespannen naar de hoeken van de kleinere kubus. Hier hangt het: een kistje binnen in een kist. Je houdt de deur dicht. Buiten de drempel, weet je, valt de vloer weg. Geen trappen die erheen leiden. Niets wat de vloer ondersteunt. Als je in de duizelingwekkende diepte zou kijken, weet je dat de keldertrappen daar ver beneden in het donker verdwijnen. Als je naar boven zou kijken, flitsen daar duiven door kolommen licht. Elders, tuimelende balken en vloeren. Merkwaardig hoe dicht die twee dingen bij elkaar liggen: het perfecte en het abjecte, de kamer en de verwoeste ruimte. Hierbinnen, op de zware eikenhouten tafel, staan gele veldbloemen. In de hoek staat een ridderharnas waar je in zou kunnen klimmen. Door de muren heen hoor je de duiven en, nauwelijks hoorbaar daarachter, een ondertoon die je eruit kunt snijden als je je oor goed instelt, het geblaf uit de dorre ingewanden van de hond. “

S.J. Naudé, Een meester uit Duitsland, uit Alfabet van die voëls,
vertaald tot Het vogelalfabet door Karina van Snaten en Martine Vosmaer

we gunnen haar ook wat

De enige verte hier zit in de lucht, net voorbij de kastanjebomen
die versierd met pilaren zwaar in elkaar vallen,

het kruispunt van straten en de vieze rode daken en op sommige
ochtenden, zoals deze vandaag, alleen in

de opgevulde driehoekjes met grijs, een ondoorzichtige zwaarte.
Was het een kindertekening geweest of een

droedel langs de kantlijn, dan was er een zon toegevoegd, stralen
tot op de grond, een bliksemflits wellicht en zeker

een konijn in het gras, een familie in een auto, een omgekeerde
vuilnisbak en ganzen dwars over de weg of

dat alles door elkaar, de tekenhand is gul met haar verzinsels. Daar
lag het uitzicht tussen de wortels van

de bomen, krioelende beesten met de buit van de dag, druppende
struiken en bladeren die bogen, de tuin groter dan ooit.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑