Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Page 3 of 417

geen andere boodschap

Twee gedichten door naar de top 100 Turing.

geen andere boodschap

 

Nog een recensie van de bundel Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid.

geen andere boodschap

De man tegenover me in de treincoupé zwaait met regelmaat
naar de mensen op het perron, houterig en soms

alleen met zijn wijsvinger groet hij een ieder die achterblijft
hoewel ik eerst meen dat er een bedroefd gezin

moet staan of een innig goede vriend. Hij knikt met zijn hoofd
zodra een volgend perron in zicht komt, het is

uitermate vriendelijk natuurlijk. Een meisje in een bloemetjesblouse
krijgt van de conducteur een compliment en voelt

zich heel ongemakkelijk na afloop. We worden allemaal vrolijk
van je, beweert hij, lente! De jongen daarnaast

informeert ondertussen naar haar liefdesleven en vraagt of ze
zou kiezen voor bloemen of chocolade. Wanneer,

zegt ze argwanend, en wat geef ik hem dan? Het is zomaar een
schermloze gebeurtenis met veel voorjaar in de lucht.

u weet wel wie wij ermee bedoelen

In de nacht controleren of hij nog leeft, is misschien hetzelfde
als in de ochtend zeggen van hem te houden, of niet

in alle vroegte natuurlijk maar voorbij dat van het donker wijkende
uur alsof plaats en tijd en begrip en object tezamen

de markering vormen naar een andere wereld, een ander besef.
Er zijn meer manieren zegt hij maar hij bedoelt dat

het eenvoudiger zou zijn voorgoed te vertrekken alleen hij doet
niet. Ik maak dan maar thee met honing en zit

rechtop, ik roer voor hem, hij mist kaneelbeschuitjes, zegt hij,
die kreeg hij vroeger altijd. Ik schrijf het op het

boodschappenlijstje zoals ik dit schrijf. Er is eigenlijk geen
andere boodschap en iets zou voldoende moeten zijn.

In de middag wil hij weten wat daar staat, ook dat is wellicht
hetzelfde als fluisteren van mij te houden.

diepteonderzoek

Hij was nu beslist ergens anders. Hij kon niet zeggen of hij nog zweefde of zat. Het kwam hem voor dat hij onderweg was naar iets en ergens moest aankomen. Er streken flarden lucht tegen hem aan, er waren ijle witte wolken, er hingen pluimen rook. Ergens heel diep van binnen kwam de gedachte dat hij iemand moest waarschuwen, dat hij zijn moeder moest zeggen waar hij naar toe ging, dat er een bezorgdheid zou zijn als hij niet vertelde dat hij op tijd terug zou zijn. Ze zou de aardappels over de tafel gooien en doen alsof de mand gescheurd was. Ze zou opstaan en langer zijn dan ooit, het lijf angstaanjagend wit, de haren los, en het vel pakken van zijn arm en dan dat tussen twee vingers draaien.

uit hoofdstuk 3, Bestsellers (werktitel)
het manuscript gaat vandaag naar de uitgever

 

diepteonderzoek

Terwijl ik op de ene plek mijn vader beschrijf in een wel heel
bijzondere entourage van herinnering en verzinsel,

wens en eerbetoon, lees ik op een andere plaats zijn werk. Ik
sjouw boodschappentassen met mappen van leer,

de dure fotoalbums die mijn moeder altijd aanschafte, waarin
hij alle schrijfsels plakte, weliswaar met dezelfde

verkeerde lijm als waarmee ik mijn collages maakte dus met
vlekken van ouderdom en gele rare bobbels maar

op volgorde en alsnog voorzien van een haaltje, sterretje en als
overal met zijn naam, soms voluit, soms alleen Sp

en beginnend met alleen de S. U weet wel, zegt de redactie daar,
wie wij ermee bedoelen. We overdrijven wat, hij

en ik, en ik sla even hard op tafel en herzie een passage, een
tere omstandigheid dit onderkomen van ons.

na afloop

Dan zou hij komen en zeggen ik hoor dat je me nodig had en
doen waar hij goed in was en bij het

weggaan een opmerking maken over het nieuwe lampje dat
niet nieuw is maar daar al drie jaar

hangt en ik zal drie dagen met heimwee rondlopen en dan hem
weer afzweren zoals altijd. Er volgt dan een

telefoontje met een ver geluid alsof hij werkelijk onder de zoden
ligt, diepteonderzoek zeg maar, en zodra hij

merkt dat ik wat afwezig ben vier berichtjes uit die andere wereld.
Er zijn geen lampjes daar die nieuw zijn,

geen meisjes met heimwee, er is niets nodig en goed zijn in iets
is een belachelijke maatstaf want er is geen

vergelijking, daar komt hij allemaal op de een of andere manier
achter. Ik spreek dat natuurlijk allemaal tegen.

al die losse dingen

Hoe alleen je bent als je weet hoe zijn halslijn liep, het kuiltje
vol achter op zijn rug, de billen hoog, de grens van

haar, het bekken in de lucht, als je weet hoe zijn handen lagen
en waar om heen of hoe leeg na afloop. Hoe nog

bewoog de grimas op zijn gezicht, ogen reeds gesloten alsof
het teveel was allemaal, zon in zijn neusgaten, het

snuiven en briesen van een dier, losgelaten aan de rand van de
steppe, onderweg naar groen en gras en vruchten

en bloemen en water, veel water. Hoe nog zijn vacht zilt rook
en je vingers daaronder, al die gekrulde zin, een

duwtje en hij zou opnieuw, zo alleen als je weet dat hij niet nog
eens en nog eens. Hoe diep die groef liep van

boven naar beneden en dwars door terwijl achter je rug de leegte
en je hart leeg en je benen nog uitnodigend open.

de bewoner nog niet thuis

Een vrouw op straat zegt, tegen niemand in het bijzonder,
dat daardoor wel wat dingen losgekomen zijn.

Ik denk aan het bandje van mijn beha dat niet meer wil
sluiten, de opgestapelde producten in de super,

de uiteengescheurde vuilniszakken op het voetbalveldje
hiernaast en herhaal haar uitspraak zodat ik

daar iets mee kan doen. Een auto met rood-wit geblokte
racestreep passeert, meeuwen pikken nog iets

mee van mijn inhoud, een jongen heeft een ijsmuts tot
over zijn ogen. Pijn gedaan, vraagt mijn kleinzoon

bij een botsing aan al zijn autootjes, en kust ze alvorens
ze weer recht te zetten. En dat allemaal zonder

een toehoorder, iemand in het bijzonder zeg maar en met
al die losse dingen om ons heen.

er ratelt iets

In de straat nog het blauwe licht van een plastic boom die tegen
de gevel van de Peugeotrijder is geplakt, de bewoner

nog niet thuis, het schijnsel spookachtig tussen de huizen door.
Het wachten is op de lamp op zolder die soms

tegelijk met de mijne aangaat en mij ongezien doet zwaaien, ik
vind de auto, oud en soms met zijn voorwielen omhoog,

van een ontroerende schoonheid en zie een autobaan voor me
met modellen op schaal die met een dun penseeltje

bijgewerkt worden met een zorgvuldigheid die bij geen van de
andere attributen past. Soms groeten we elkaar,

nooit zeg ik iets over mijn voorkeur, hij wel over het weer, ik ben
dan ook onzichtbaar voor hem zodra in de ochtend

mijn raam oplicht, contouren die niet lijken op een blauwe den
hoewel met toegeknepen ogen wel op een Volvo 544.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑