Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 2 van 350)

de collega’s

De dichter herinnert zich mijn atelier, mijn kinderen, zelfs
een onmogelijke theorie van een andere bezoeker,

hij herinnert zich de wijn, het eten, het schuilgaan in een
hoek van de ruimte in driedelig pak, zwart,

een gouden dasspeld door het bovenste knoopje, het in een
schilderij verdwijnen. Hij verjaart en snijdt mij

in precieze halen een twaalfde van de taart, het is een van
de weinigen met wie ik een boekhoudkundige staat

van dienst deel, op zijn snor verschijnt het zweet, de helft
van de tijd zijn de ogen dichtgeknepen, het

mes blijft gelukkig boven de traktatie hangen maar de woede
treft ons allen, het is niet meer mogelijk een

vers te maken, wil ik soms twee stukken, en wat was dat een
ontzettend leuke tijd, toen hij nog jonger was.

zij telt tot honderd

Dit waken dat ik doe, dit vragen om bescherming, een
goed teken, dit al mijn geliefden opnemen in

een vaderlijk gebaar, dit oude gebed dat ik nog altijd als
mantra gebruik, het kleine scherm

open naast me, ja mam, we zijn oké, een hart dat bonst en
rood oplicht terwijl het mijne in mijn keel en

in mijn buik doorschijnt. Te denken aan de dagelijkse reis
van huis naar werk, van huis naar school, van

huis naar crèche, van huis naar huis en terug en zelfs de
namen onthoudend van de metrostations,

de wijken, de windrichting, de collega’s, de tijden en dat
op zijn hoogte, ongeveer kruipend en passend

en kraaiend en wijzend, daar komt het licht vandaan, de
enorme knal, het gegil, de vertrappende mens.

zij telt tot honderd

Zoeken betekent: een doel hebben. Vinden daarentegen: vrij zijn, open staan, geen doel hebben. U, eerwaarde, bent misschien inderdaad een zoeker, want terwijl u uw doel nastreeft, ziet u veel over het hoofd van wat zich dicht onder uw ogen ophoudt.

Herman Hesse, uit: Siddhartha, vertaald door A.M. Binkhuysen
(een van de citaten gebruikt voor boek 9)

onder die ruisende rokken

In de stilte zijn de geluiden goed waarneembaar. Zij ziet haar handen over het toetsenbord gaan, hij stelt de lens in en draait aan de cirkels van zijn bewustzijn. Alle scripts zijn handleidingen, vingerwijzingen voor de toepasbaarheid van dit leven. Alle processen zijn onderdeel van één. Er is niets nieuw, er is niets oud. Ze hechten zich aan elkaar als een pleister op de wond, geen dierfiguurtjes boven wat gaatjes, een huidkleur die maar weinig afwijkt van hun eigen tint. Soms vergeten ze de wond te luchten, soms vergeten ze de wond, soms is het hoekje stof slechts een versiering. Het doet zeer de pleister in een ruk te verwijderen en toch zou het zo moeten, even de tanden op elkaar, een kind met een traan in de ooghoek en meteen daarna een brede lach.
Er is geen concept, er is geen blauwdruk, er is alleen maar dit. Er is een verhaal en een schrijver die het noteert en een lezer die het leest. Er is een beeld en een beeldenvanger en een kijker die naar de vangst kijkt. Er is een woord van haar tegen een indruk van hem, er zijn handelingen en kleur. Zij benoemt iets tot een onderwerp dat hij nu juist niet wil benoemen, hij negeert iets dat zij nooit meer zal uitspreken.
Er zijn onzinregels zoals er gemanipuleerde foto’s zijn, er staan hoe dan ook aantekeningen in de kantlijn, elk contactafdruk wordt bewaard.
Het is het leven passend maken. De filmer maakt de schrijver een alleen-zijn kamertje, halverwege de boot, hout genoeg. De schrijver maakt hem een alleen-zijn boek, een vertrek om in te blijven, plaats genoeg. Er zijn geen andere plannen.

geluidloos

Als dan de stilte voelbaar is, wankel ik en
Val voorover dus niet langszij waar ik zijn lijf
Zou vinden tenzij

Hij snel opzij zou stappen, zich bewust van
De strijd der elementen, de zuigende werking van
Mij

Men kucht wat, men zingt aarzelend de eerste
Woorden van, men verslikt zich, men verplaatst
Het gewicht naar

Het andere been, hazen schieten door de gaten
Graven holen onder ons, ik denk dat wij allen
Opgezogen worden door

Een los rakende steen, dan klapwiekt een vogel
Dan bouwt hij een huis, dan kom ik binnen door
De voordeur

Er zijn geen verwachtingen meer. Er is alleen geen stop in woorden, geen einde aan beelden.
Wat is het woord dan meer dan een wuivend licht handgebaar van gene zijde, ze moet haar hand tegen de zon beschermen maar ze kijkt, en ze zwaait terug, ze staat daar al uren maar ze zwaait terug en haar haar zwaait mee en haar lijf en haar leden, alles staat daar en beweegt licht in de dag.
Er is geen omkijken naar. Er ontstaan geen zoutpilaren. Haar lijf blijft even warm, zijn geslacht even beweeglijk. Er is geen andere vermenging dan haar zilt zoete nectar met zijn zilver zilte zaad. Er is haar zweet, zijn handpalm. Er is zijn frons, haar vinger. Er is zijn woud van haar, zijn wildernis, haar tong. Er zijn haar heuvels, haar bergen, zijn waterblauwe meren. Er is een hem in al haar plooien. Er is een haar in al zijn lijnen. Hij woont onderaan de rivier, hij schuilt bij de bron, de stilte van de stroom, een beweging die altijd vanaf de oorsprong loopt en weer terugvloeit, die innige verstandhouding is, die herkenning van een gelijke is, die liefde is, dat lijf dat ze dagelijks nog voelt alsof hij in haar stoot en haar keert en, even maar, vasthoudt, de bezitter van de sporen die over haar benen lopen en dwars door haar hart, het kind dat zich in de moeder verloor en vervolgens in elke vrouw terwijl zij zich verstopt in de struiken, de bessen rijpen laat dit jaar, de bessen rijpen. Zij telt tot honderd, hij komt, hij vindt haar.
Er is geen heimwee, er is alleen dat moment. Er is geen heimwee zonder koffers. Er is geen reis meer. Er is alleen maar heimwee maar in koffers kan meer. Reizen doen ze in hun hoofd. Wie het laatst aankomt, is af. Wie het laatst aankomt, is het eerst. Ze kunnen niet gelijktijdig door dezelfde deur. Ze bouwen een nieuwe deur, hij doet dat, hij is handig. Zij maakt een gordijntje. Ze zijn altijd thuis. Ze zijn altijd onderweg, ze komen altijd aan. Ze komen altijd bij de bron. Hun huis staat altijd open. Er is koek bij de koffie.
Hij knielt voor het altaar. Zij is het altaar. Zij offert zichzelf. Zij is het altaar. Hij ontvangt de offerande. Er is genade voor alle twee. Zij slaat een kruisje. Het leven was onverwoestbaar. Het leven was niets. Het leven was een besef. Het leven was liefde. Begrip was de stem die luider gedraaid kon. Een vrouw zong uit de bandrecorder van zijn vader. Liefde was de stem. Liefde was zowel de vader als de zoon, zowel de moeder als de dochter. Zij was liefde. Hij was leven. Hij maakte kennis met haar. Hij bekende haar. Zij sloeg het hart open. Een vogel verkende de streek. Twee vogels kwamen terug.
Alles was volbracht. Niets ging voorbij. Alles was open. Alle wensen waren vervuld. Alles was stil. Alles was hoorbaar.

 

Hoofdstuk 100, boek 9

(dit is voorlopig de laatste publicatie uit het boek; we zijn aan het schrappen, herschrijven en nakijken; 1 juli 2013 begon ik met dit werk, anderhalve maand later was het boek ‘geschreven’, de gedichten komen uit 2012 en 2013 en hebben nog het falend interpunctiebeleid; in 2014 werd het manuscript tweemaal aangeboden en afgewezen, vanaf september 2017 zijn we opnieuw met het boek bezig)

 

de verschuivingen in het systeem

Nu ik in het boek zit, krijg ik opeens veel haast, er is geen
tijd te verliezen. Het is hetzelfde als ik een begeerd

object, die prachtige jurk bijvoorbeeld of die uitgave die
dagelijks een schitterende foto geeft, eerst

bovenop de kast verberg en telkens zie liggen maar die ik
pas na dagen aanraak, open en verplaats, voel

en streel en draag en daarna niet meer uit wil doen, angstig
om dat wat ik kwijt raken kan, beschadig misschien,

terwijl het gevaar er nooit van te genieten even groot is. Ook
wil ik gewoon de rust van lege bladzijden, het

maagdelijke van mijn wit vel onder die ruisende rokken, geen
ander beeld dan het uitzicht uit mijn toren waar

alles immers ver onder mij ligt, niet bedreigend maar vaag en
kinderlijk en uit een heel andere richting.

als een zomerse bui

Ik wou dat je hem had gekend, zei de schrijver tegen de filmer, ik wou dat je mijn vader had ontmoet, en ook hem leek het een interessante ontmoeting ware het niet dat Felix al overleden was. De schrijver zag bij het eerste etentje met de filmer al hoe haar vader erbij had zullen zitten, aan de lippen zou hangen van de druk pratende Zacharias die met zijn handen zou aangeven hoe groot de wereld nu eigenlijk was.
Hij had kunnen vertellen hoe de reizen verlopen waren, met welk vervoermiddel hij had gereisd en als het een auto was geweest, met welk merk en hoe deze zich gehouden had onder de vaak barre omstandigheden. Hij had in ieder geval de geschiedenis van zijn auto’s kunnen vertellen en haar vader had daarop zijn lijn en gelukkige hand van het kiezen van auto’s kunnen reconstrueren. Hij had kunnen schetsen hoe zijn hond op de passagiersplaats naast hem uit het raampje had gekeken, een beeld dat haar vader zich altijd droomde.
Hij had kunnen vertellen over de onderwerpen die hij had gefilmd: de oudste tweeling ter wereld op het eilandje Yoanguni die hem giechelend sake had aangeboden, gebrouwen op het eiland zelf en de reden voor hun nog fitte hoogbejaarde staat, zo meenden zij zelf; de pijlstaartvissen op Curaçao die in staat waren een mens te doden terwijl hij hun leerachtige huid geaaid had; de bescheiden inhuldiging van de eerste Moldavische president in 1991 met wie hij na afloop nog geschaakt had en grootmoedig had verloren; de lege parochiekerken in Vlaanderen en de spoorlijn Triëst – Hrpelje die in de jaren zestig werd afgebroken en verbouwd tot fietspad en haar lichten in de langste tunnel die aangaan door de bewegingen van de fietsers, om maar eens wat opdrachten te noemen. Daarna zou hij zijn vrijheid noemen en hoe hij nu genoot van de gezelschappen die hij volgde, zoals het zigeunerorkest uit Novi Sad dat twee weken in zijn Love Boat logeerde en ’s avond op het dak speelde; de vurige Furies in Ruigoord, dichteressen die hem tijdens hun voordracht wat weerden maar desalniettemin mooi geportretteerd waren; de groepen een en twee van een basisschool die manieren leerden met behulp van een theaterprogramma dat een afgevallen exje aankleedde. Hoe hij onder de indruk was van de uitspraken van de koningin van de nacht uit zijn stad, Fabiola, die op haar sterfbed nog zoveel compassie had voor de ander en zoveel relativeringsvermogen, hij had gewoon door gefilmd toen zij verschoond werd terwijl ze op zijn tabloid naar zijn beelden van vroeger keek; hoe hij het zoontje van een vriend bij zijn eerste solo-optreden liet uithalen, hij blies met zijn toeter in het gezicht van zijn vader of hoe hij Annet de Vries in haar tangojurkje hees terwijl ze nog haar tandartsjas aan had.

Zacharias had kunnen zeggen hoe het landschap was, mooi en gemakkelijk of onbegaanbaar, het liefst dat laatste, waar de mensen van leefden en hoe de geschiedenis van het land was, haar vader zou het later allemaal nalezen, hoe het eten was geweest en of er wel te eten was onderweg, maar belangrijker nog, hoe de mensen waren waarbij hij de vrouwen voor het gemak bij de mannen schaarde, hoe de plaatselijke bevolking hem tegemoet getreden was, dat was beter. Hij zou wat lachen bij die omschrijving en haar vader zou het niet helemaal begrijpen maar het gewoon een aardige jongen vinden, die Zacharias P. Te Voortwis. Ze zouden haar, de schrijver, helemaal vergeten, aan het eind van de avond zouden ze elkaar op de schouder stompen, goedmoedig en slechts eenmaal, elkaar daarna de hand schudden en bij de volgende ontmoeting, die er zeker zou komen, zouden ze weer verder reizen. Haar vader zou dromen over de avonturen van Zacharias, hij was in de huid van de filmer gekropen, zelf kwam hij niet ver, en het zouden zulke fantastische ervaringen zijn ‘s nachts dat hij de ochtend erna ze niet zou kunnen delen met zijn gezin. Hij ging er niet van uit dat hij tijdens deze dromen zou gillen, zoals normaliter wel gebeurde, Zacharias had per slot van rekening ook alles overleefd.
De schrijver zag voor zich hoe ze samen over de auto stonden gebogen, haar vader reed dan nog een Citroën DS en haar lief had nog zijn Deux Chevaux maar ook over de Volvoos bogen ze zich samen, haar vader begon over de vermeende Zweedse veiligheid en de voorschriften van zijn vrouw, Zacharias zou de Zweedse vrouwen noemen, een grapje kon nu wel. Wellicht zou zelfs haar grootvader nog even langskomen, die was tenslotte in Zweden geweest en ook bij de vrouwen, en buurman Pieter Eede had misschien nog commentaar in het Russisch, een taal die hij als tuinder helemaal niet nodig had hoewel hij bezig was zijn bloembollen te exporteren, maar gezien de bruiden per post leek het hem niet overbodig deze wereldtaal te leren kennen. Ze zag zelfs haar moeder om het hoekje van de deur met koffie, gevulde koeken of een chocolaatje uit het blauwe aardewerken bakje, een beetje schutterig en gespeeld bedeesd terwijl ze precies opving hoe verrijkend reizen konden zijn, zodat ze vervolgens een week lang kon zeuren over de mogelijke gevaren en kosten terwijl er helemaal geen sprake was van een tripje.
De schrijver zag Zacharias glunderen en op zijn gemak en eindeloos lang zijn toehoorders vermaken, ze zag de kring steeds groter worden maar ook hoe hij met haar vader, alleen zij tweeën, de andere reisopties besprak. Er waren nog de reizen in je hart, de omtrekkende bewegingen in je ziel, de belevenissen in je dromen, ze wist niet zeker wie van hen twee het eerst met dit soort bespiegelingen zou komen. Zeker was dat haar vader daarna in zijn wekelijkse column in het Financieel Dagblad zou schrijven over deze dingen, haar moeder zou vervolgens weer zeggen dat het allemaal vreselijk overdreven was en dat hij niet kon oordelen over zaken die hij niet aan den lijve had ondervonden zoals ze dat van elk epistel zei, bijna minachtend schoof ze de teksten weg. Het was wel zeker dat haar vader aan zijn klanten een gedeelte van de avonturen van Zacharias P. Te Voortwis zou vertellen, genoeglijk aan een keukentafel in een rommelige boerderij, de vliegenstrip boven tafel, een vel room op de koffie, de geuren van vroeger aan zijn overhemd. Ze was er ook van overtuigd dat hij de naam van de filmer zou noemen, ze moesten maar eens opletten bij televisieproducties of speelfilms, zou hij zeggen, let maar op die naam, mijn dochter heeft verkering met hem, het is een aanwinst voor de familie. Hoewel, dat laatste zou hij misschien verzwijgen, hij zou niet helemaal zeker zijn van haar gevoelens voor de filmer, het ging hem ook niets aan zolang ze maar gelukkig was, hij kende haar plannen niet, hij wist wel dat ze niet reislustig was, kortom hij zou zich beperken tot ‘vriend van de familie’. Haar vader zou de armgebaren van haar lief overnemen, de hemdsmouwen opgestroopt, het haar woest en lang, de mond spottend en de ogen stralend en fel, hij zou daarna van het erf scheuren zoals hij dat na elk bedrijfsbezoek deed, een beetje te veel gas gevend, niet om indruk te maken maar omdat hij dat zo graag deed. Hij zou de motor laten brullen en wat snel door de bochten gaan en dan vervolgens denken dat hij daar was: de weg naar Parijs lag open, hij zou er tegen middernacht arriveren, hij zou slapen in een open veld. Dat was ook het enige dat hij eens deed, hij nam de route naar Parijs en sliep in een berm en keerde de auto tegen de ochtend, het was zijn enige nacht van huis, op de paar ziekenhuisopnames na, en de enige keer dat hij alleen sliep. Hij was vol berouw de volgende dagen omdat zijn vrouw, terecht, zich vreselijk veel zorgen had gemaakt, ondanks of misschien wel door zijn telefoontjes die hij onderweg had gepleegd. Het was onder andere door dat avontuur dat zijn echtgenote hem onverantwoordelijk noemde, een groot kind en een enorme egoïst. Ook de foto op de voorkant van de Autokampioen, februari 1954, een witte kattenrug, een Volvo 544, in de sneeuw misschien niet helemaal zichtbaar maar met een duidelijk leesbaar nummerbord, het waren de enige letters op het bevroren IJsselmeer naast de opgave van nummer en datum, droeg daartoe bij. Het hielp natuurlijk ook niet dat zijn ogen vanuit de kerkenbank rustten op het torenhoge kapsel van Helena Zeegers en dat wat er onder die haren zat.

Hoofdstuk 86, boek 9

als een zomerse bui

Een eerste bericht komt nu op het moment dat in mijn droom
de kookwekker afgaat en ik van boven de dampende

borden haal, het waterhuis, de kinderen nog klein, de honger
als altijd ongekend. Er ligt een boom op de rails,

meldt de een en de ander toont, alsof er geen tegenwind was,
een foto van een hondje dat schuldbewust kijkt,

daarna zijn rode wangen, natte sokken en de verschuivingen
in het systeem nu veertien vrachtwagens niet

onderweg zijn. Het is hetzelfde rare tijdsverlies dat ik voel
als ik in boek 9 bezig ben en nog precies zo

mijn zinnen formuleer, drapeer om de gedragingen van toen
die maar herhaald worden, zonder beeld

of het moeten de bomen rondom mijn toren zijn die vanuit
hun stammen kreunen en mij bijkans raken.

binnen de warme wand

 

(Elbert Gonggrijp: Na mijn gebruikelijke bezoek aan het bankje bij de slotgracht van Egmond aan den Hoef geschreven. Titel ontleend als woord in jouw gedicht)

binnen de warme wand

Met een ernstig gezicht houdt hij een vierkant object dat
verpakt is in een laken dat zich juist wil openen

tussen zijn vingers, alles is te groot voor zijn kleine armen
vandaar ook zijn ernst en mijn mamma staat

achter hem en slaat haar armen om dat alles heen en helpt.
Voortdurend is zij aanwezig in mijn dromen

terwijl ze overdag alleen maar als een zomerse bui valt
bij voorkeur als ik met mijn handen stof schik,

dunne steekjes fabriceer op haar stalen nalatenschap of
opzij kijk op haar zomerjurk waarvan ik kleur en

motief nog steeds weet. Zij hangt daar met mijn broertje
die weer zoveel lijkt op mijn jongste, zo

bezocht hij me vannacht. In de ochtend zijn berichtje: of
ik mijn zonnebril op had bij de bliksem?

de handelingen hiervoor

 

De eerste keer dat ik je droeg en mee naar buiten nam, de
vellen voorzichtig tussen de al zo bekende

woorden, voelde ik me bloter dan anders en liet ik je binnen
de warme wand van mijn map en tas en las

ik je niet voor zoals ik van plan was geweest. De keer erop
schoof ik aan mijn jurk en dacht het publiek dat

dit gewoon een heel lang gedicht was, niets aan de hand dus
en weer later liet ik je hier liggen alsof ik je

vergat mee terug te nemen en snel nog wat boodschappen
schreef in het wit dat overbleef. Natuurlijk

gebeurde er meer: tussen toen en nu leefden we in een zekere
overeenstemming totdat jij je losscheurde of

ik je verloor, tenslotte verdween je als een enorme prop uit
de schoot van mijn zomers lijf, ik voetbalde met je.

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑