Van bovenaf, vanuit de witbestoven boomhut, fotograferen we
de onbegaanbare wegen, witte dikke stokjes

met hier en daar een bobbel waaronder een auto schuilt, een hek
dat met poeder versierd is, attributen tussen de

donkere bomen, dansende vlokjes boven de lichtbollen, bijna geen
teken van leven maar wel in de verte een spoor, glinsterend

en glibberend. De stilte stijgt op, niets lijkt nodig, alles strekt zich
uit of keert zich nog eens om in het warme bed.

Alles is zoveel mooier. Ergens danst een lichtje dat om de hals van
een hondje zit, zijn baasje loopt met hoge stappen,

voorzichtig. Wij beginnen aan de dubbele rij boeken, de inhoud
van de vriezer, kleuren de achtergrond van onze

oude tekeningen, een brief aan een lief, een vestje van restjes wol,
moeten snel zijn voordat het zwart weer oprukt.