3.

Heeft u haar nog gezien?

Het gaat vaak over relaties, zei een andere dichter. Wat, zei ik, er ontspon zich geen gesprek, het was een constatering van hem waarmee ik het niet eens was.
Vroeger, zegt de lief, schreef je nog wel eens over bepaalde lichaamsdelen. Hij bedoelt dat ik ze toen benoemde op een wijze die iedereen herkende, en handelingen liet verrichten zonder suggestief te zijn. Hij is van de duidelijkheid en praktisch gericht, kunst is alleen iets als het toepasbaar is, is zijn idee.
Een relatie heb je overigens ook met de groenteboer en het is huishoudelijk geneuzel als je al dit soort verbanden uitlegt. Nog slepen mijn haren over de grond, nu zilverwit, stijgen er vogels op en klapwieken, soms alleen uit beeld. Ik wil hardnekkig een andere weergave van mijn werkelijkheid.

blijven waar je was

je wilt tikkende tepels tegen je mond
open benen om je heupen
handen die je armen naar achteren drukken

je wilt strelende handen
vingers die in je mond glippen
en billen die verschuiven

je wilt verdwalen in haar plooien
en beweren later dat er geen sprake was
van teruggevonden worden
je wilt gewoon blijven liggen waar je was
een natte plek op rode aarde
ver onder haar

(log 17 mei 2006)

uitvoering John Epke

my poetry was lousy you said

Het is het verzet tegen dat beeld van het bootje dat langs glijdt onder mijn brug door – een man zit wijdbeens (en ongetwijfeld in korte broek) aan het roer, een meisje zit trots naar hem te kijken op de achtersteven, een vrouw beschermt twee jongetjes op de voorsteven en slaakt een bescheiden gilletje net op het goede moment – zij beseft dat hij de macht heeft en hij is tevreden met haar besef – zij bukt op tijd, legt haar hand in de nekjes van de jongens en lachend kijkt ze later achterom
Ik heb nooit zo’n vrouw willen zijn (al gooide ik mezelf op mijn jongens om ze te beschermen), ik ben haar nooit geweest, ik ben nooit dat meisje geweest, nooit die jongens, nooit die man – een zwerver hoogstens die een nacht onder die brug had liggen slapen en van goede momenten weet ik niets.

(log 28 juli 2006)

Het was een oorlog der liefde, een manier om boven het vlees uit te stijgen, om de grens van het tastbare te overschrijden. Het grijpen, draaien, vasthouden was allemaal bedoeld om iets te bereiken dat niet gegrepen, gedraaid, vastgehouden kon worden.

Marilyn French, uit The Bleeding Heart,
vertaald tot Het bloedend hart door Molly van Gelder

Jouw merg zit in mijn botten. Mijn bloed stroomt in jouw aderen. Jouw pik steekt in mijn kut. Mijn borsten rusten onder jouw jurk. Mijn vechtende arm put kracht uit jouw schouder. Jouw kleine voeten zetten mij schrap. In volle wapenrusting draag ik slechts jouw hemd, en als jij je haren vlecht, wind je ze om mijn hoofd. Jouw ogen zijn groen. De mijne zijn bruin. Als ik in je groene ogen kijk, zie ik grazige weiden glanzen. Als jij achter mijn netvlies kruipt, zie je forellen flitsen in het riet van het meer.
Ik ben ongedeerd, tenzij jij mij verwondt.
Ik ben niet sterk, tenzij jij mijn kracht bent.

Jeanette Winterson, uit: The Powerbook

Wat ik met woorden deed en doe, herhaal ik in stof en beelden.
Ik zie er geen lijn in, zei een bezoeker jaren geleden toen hij voor mijn kunst stond en wilde bepalen waarover het ging. Als snedig antwoord had ik daarvoor gezegd dat ‘het’ over het leven ging, natuurlijk kon hij daar niets mee en ik eigenlijk evenmin. Het werd eenvoudiger toen ik werken los in de ruimte hing, men kon er onderdoor lopen en even tikken met het hoofd tegen de losse draden, slordig bleef ik, en mannen voelden aan het handwerk, vrouwen niet. Zij schudden hun hoofd om zoveel werk, ik moest welhaast gek zijn, een ouderwetse behoefte hebben aan genoegdoening en wie zou ooit zoiets dragen? Ik verkocht niets.
Ze zouden me beslist niet lezen.

Geen verre onvoorziene
schrik, voor de dood bijvoorbeeld,
maakt hen bevreesd, het is
de angst om ooit alleen maar
eenzaam mens te zijn geweest –
dat lijfelijk onleven
niemand te vinden, geen
antwoord op hun haast ongelezen
nimmer gevraagde vlees,
dat uiterst onomschreven
niet-zijn doet hen bang wezen.

Huub Oosterhuis, uit: De dichter en zijn vrouw,
voor Anton van Duinkerken, uit: Herschreven gedichten 1955-1965

de dood ontkomen

Het zou zo zijn alsof elk woord opnieuw
Uitgevonden was, elke handeling opnieuw
Verricht en nooit eerder gedaan, elke fluistering
Alleen voor jou, nooit eerder gehoord die
Vreemde mengeling van talen, je zou
Terugkomen en er zou een thuis zijn

Het zou zo zijn alsof elke ontmoeting
Een toevallige was, de deuren los dus kom
Maar binnen en leg je voeten op tafel, wil
Je cappuccino of water, kijk ik heb taart
Gebakken van de pruimen uit mamma’s tuin
En ruik je de regen die nog na ruist?

Het zou zo zijn alsof we daar al jaren
Woonden, samen in één huis, mijn werk
Hangt aan de muur en het jouwe staat op
Sokkels, de honden slapen met mijn kat en
Op het erf grijpen onze fietsen in elkaar
Je bouwt een atelier aan huis, nog even

En bezoekers komen langszij en zien
Ook het weiland waarin de witte paarden
Los lopen, hun dampende lijven staan
Stil, je wijst terwijl je achter me staat
En omklemt me met je andere hand, ik leun
Zwaar achterover, nog even en we

Vallen in het vers gemaaide hooi, stapels
Hoog in de wagen of op zolder waar
Zwaluwen in de nok van het dak krijsen
En paarden op stal stonden, oud bruin bier
Stond klaar voor het werkvolk en mijn vader
Dronk uit de sloot, schepte het water in zijn

Handen, drink, vang mijn gal, spuug in
De komvorm van mij, ik draag je op mijn schouders
En galoppeer als een paard, drie keer het erf om
Je glist weg in de blubber, het touw spant zich
Om de koeien tegen te houden, daar is een
Konijn ontsnapt en de pauw spreidt haar veren

Er ligt een vel op de room en een vliegenstrip
Hangt vol boven tafel, aan de zijkant van het
Huis bij de sloot staat je hut, hoeveel stokken
Heb je wel niet verzameld, o mijn indiaan, mijn
Tepee is zo leeg, de honden rennen achter je
Aan, je moeder is trots op je, ze lacht
Terwijl je je hoofd in haar schoot wringt
Ze streelt je haar en kruipt met haar vingers
In je mond, zo zou het zijn en ze spreidt haar
Handen over je wangen en buigt zich voorover
Het haar streelt je gezicht, ze kust je diep en
Teder, pruimen vallen uit haar shirt

In je open lippen, zo zou het zijn, liefste, elk
Woord opnieuw voor jou, elke handeling opnieuw
Voor jou, een vinger langs de sporen in je gezicht
Zoek me en vindt me terug, een bedelaar op je
Stoep, de deur was open, ik ging naar binnen
Je tekende aan tafel en sloot de deur achter me

(log 25 augustus 2006)

Pommerdepom pom