Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: bloemlezing derden (pagina 1 van 69)

met lege handen

Weer niets gedaan.
En weer was alles vergeefs vandaag.

Ik zocht een verre plek om onder de mensen te blijven.
Een zuivere merel heeft zich daarnet in mijn oren geknoopt
En langzaam zijn de ogen van een vrouw over me heen gegaan
Als veel lauw water ’s avonds van een zomerregen.

En slapende paren, mijn ouders misschien, hebben vandaag gehoopt
Op mij, en sloom en treuzelend zijn zij uit mij opgestaan
Als kinderen ’s ochtends voor ze naar beneden gaan
Om er te spelen met de wijzers van de klok.

Weer niets gedaan.
Dan dit geluk dat mij wordt aangedaan.

Leonard Nolens, Zomeravond, uit de bundel Tweedracht

alles een geheim

Nadien nog je lichaam weten, op zoek naar meer. De dingen
gebeurd laten zijn. Zo gaat emotie voorbij. Alles herinnert teveel
aan jou, ik heb je hier nog kunnen zien zitten, in een huis,
een tuin, als het kon, als wij zouden.

Wij zijn zo duidelijk als het moet. Wij moeten onze manier van
kijken leren begrijpen, het maximale halen uit liefde. Je mag
mij een beetje aarzelen, maar kies mij. Jij mag mij hebben.
Jij ben mij zowel vandaag als gisteren.

Je zit hier zo te zijn, zo hartverscheurend mooi, nog te
vroeg voor een later nu. Ik wil je nog tekenen met mijn handen,
het blindelings verlangen van ogen voorzien. Een wit
wachten op betekenis, het arriveren van geluk –

Elbert Gonggrijp, Voor mijn liefste, n.a.v. de gedichten van Herman de Coninck
Egmond aan den Hoef, donderdag 31 mei 2018

de staat van God

I am the tall kingdom over your shoulder

Seamus Heaney, uit Act of Union, from North

 

Gedicht van de Maand: Juni 2018

hoor maar hoe het niet echt klinkt

Ze zag eruit als een Engels meisje
dat Frans spreekt, de beginregels
van een gedicht, dat afbreekt
om de regels kort te houden,
zoals het gaat bij dit soort teksten,
terwijl het niet echt hoeft:
korte baantjes voor het oog.

Dikwijls volgen na een aarzelend begin
of wellicht zelfs krachtig,
nieuwe strofen vol kleur en spanning,
soms zelfs onbegrijpelijk. Is dan
het hoofd van de dichter knapper
dan het hoofd van de lezer? Misschien.

Een gedicht is te kort, soms te lang,
er is altijd wel kritiek. Als op het weer,
de minister-president of tv-programma’s.
Meestal zit er wel wat moois in.
En dat wat betoogd wordt of waar
het om gaat is zeker aanwezig
in een sterke concentratie: dit is
het, wat hier staat, nee, niet de
woorden die ontbreken, die zijn er
met opzet niet bij gezet, precies,
de aandacht ligt veilig in de rails.

Want in een gedicht horen geen
dode plekken als lange straten of
eindeloze weilanden, die in ’t echt
wel ruimte bieden aan een
kapotte melkfles of een leeuwerik,
maar op papier te veel nummers hebben
of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
maar alleen buiten mogen ze
volop, dubbeldik, mat en saai zijn,
daar is geen plaats voor in een gedicht.

En een gedicht zonder weilanden, zonder
gasbuizen, die vele kilometers lang
onder de grond gaan om ook wel weer eens
ergens anders boven de grond te komen,
zo economisch en toch vol met topics
geschreven, is voor een bereidwillige lezer
vaak nog een lange, moeizame reis,
hij leest niet alle regels uit,
vliegt met z’n ogen zo’n beetje
over het vreemd gesprokkelde letterbeeld.

Misschien dat de dichter dan toch maar
wat extra zinnen moet schrijven,
hier een woord erbij, daar nog een,
woorden die passen bij vluchtige aandacht,
hij moet rekening houden met het
ongeduldige tempo in de hoop dat
de woorden worden overgeslagen
waar het niet speciaal om gaat
of die zelf niet zoveel uitdrukken;
één gedachte in heel veel woorden,
net als die leeuwerik boven dat weiland.

Een gedicht lijkt ook zo maar
opgeschreven maar wie zegt niet,
dat er tussen al die woorden en zinnen
dagen, weken of maanden zitten
(de dichter meestal niet).

En wie zegt wat er van deze strofe
-ja, deze- is geschrapt, goed je
ziet het niet meer, maar denk eens
aan al die weggepoetste vlekken
op een prachtig blinkende spiegelruit.

Aan de andere kant is een gedicht
wel machtig. Je schrijft ‘boot’
en er stond eerst heel wat anders
of ‘schoen’of ‘bril’of ‘pop’of
een ander woord van een lettergreep,
allemaal veranderd, maar de lezer
komt niet achter de eerste, veranderde,
maar beslist ook best aardige woorden.

Of ‘geschilderd rood’. Nu, welke kleur
is het geworden? Precies. Je kunt er wel
naar raden, maar weten doe je het nooit.

En een gedicht komt de lezer weer
tegemoet, omdat alle woorden er
voluit staan: in een gesprek kan het,
als je va…..hoort, nog vader of met
een beetje fantasie zelfs vakantie
worden (een als iemand na die lettergreep
stopt, zul je het zelfs nooit weten),
maar in een beleefd gedicht
staat het er allemaal voluit, meteen,
al is de klemtoon niet aangegeven.

En misschien dat een lezer zich nog
wel eens aanpast bij een woord,
dat hem te binnen schiet, zo half passend
bij wat hij denkt, zonder dat hij de
betekenis precies weet, daar legt een
dichter zich niet bij neer, hij probeert
juist alles niet half, maar helemaal
duidelijk te maken, geen enkele uitkomst
hoeft in feite hoe dan ook verkeerd te zijn.

Ten slotte komt er aan elk gedicht
weer een eind. Hoe jammer dat soms ook is.
En afgezien van wat er in wordt beweerd.
Een stoel kan staan of een stoel kan vallen.
De bloem kan rood of de bloem kan blauw zijn,
op het laatst blijft hij alleen achter
in zijn vaas en dan niet eens echt alleen,
maar in de buurt van boeken en doosjes,
planten en dobbelstenen tot het laatste
woord erop volgt. Maar het weiland blijft.

K. Schippers, Een leeuwerik boven een weiland
uit: Sonatines door het open raam /
opgenomen in de bloemlezing Dichten over Dichten (Atte Jongstra, Arjan Peters)

fietsend door de lege bochten

‘Laat het lachen niet aan een ander over, het huilen
Ook niet; laat komen, tot slot, de stilte, de nacht, de droom, en
Laat daarin diegenen binnen die zochten, naar het licht.’

uit ‘Het vaderpaard’, Tsjêbbe Hettinga
Donderdagmorgen nemen wij afscheid van Rob de Vos.

echt alleen voor hen

Hetzelfde boek, dezelfde lezer, andere markeringen in tijd en
plaats, andere aanduidingen, dezelfde

gretigheid, dezelfde moeite de enorme omvang in de hand te
houden, wisselen van het linker naar de

rechter. Een opdracht in potlood, twee briefjes halverwege, het
een van een kind uit de beginjaren, het gezin uit

het tweede deel, de ander een rijmpje voor de Sint, overgebleven
snoepgoed, waarschuwingen kinderlijk lachend

en niets van de man uit het eerste deel. Andere zegswijzen, een
nieuwe conclusie, een samenvatting die eerst

nog niet gegeven kon worden, een dode moeder, een overspelig
feit, een kind zo trouw, een beheersbaarheid,

ballen in de lucht, nog altijd het idee dat de act een andere is als
die van haar, nochtans dezelfde.

waarin mijn hand verdwijnt

Mijn vader heeft mij uitgereden
met paarden in een zware gang.
Ik lig ontdaan van mijn bestaan
in duizend stukken uit elkaar.

Ik wacht op warmte, zachte regen,
opdat ik na verloop van tijd
ontkiem en mij bijeen zal rapen
om uit de dood weer op te staan.

Atze van Wieren, Mest, uit: Grondstof

daarboven ergens moet ik zijn

En daar liggen we dan nu
en praten ergens over,
geeft niet waarover.
Omdat je alles van me weten wil,
in elk geval meer dan tot nu toe
wie ook ter wereld,
en liefst wat niemand anders weet,
vraag je: wat is poëzie,
misschien wel eigenlijk alles?

Misschien wel. Ik geef een voorbeeld.

Boven je keukentafeltje hangt
een grote plaat: vogels
die je haast niet meer te zien krijgt
in de natuur.
De grote stern in zomerkleed grijswit
de bonte strandloper
de steenloper bruin in vlucht
de kleine jager
de zilvermeeuw de mantelmeeuw –
het zijn onze levende zielen,
stoten en vlagen van de wind
trotserend, heen en weer
tussen de branding
en de schamele duinkust.

Je bent niet overtuigd. Dus vraag je verder:
hoe echt meent de dichter zijn woorden?
Koortsachtig bedenk ik een uitweg.

Dat afgetakeld karkas daar
van een schoener, dat onze boulevard
ontsiert, dat daar ligt
als een voorbije wereld –
of zoiets nutteloos: wil jij dat?
De dichter wel.
Hij sloopt er een plank uit,
hij gooit die plank in zee
voor de drenkeling die hij gedroomd heeft.
Hij krast in de planken
wat woorden, een straatnaam,
anders gezegd:
de dichter overnacht op het water –

jouw straatnaam? (vraag je) en nummer?
briefje aan de bel ‘welkom,
sleutel bij de buren’,
dan na dagen kom je van de reis
thuis, kleine jager, en wat zie je?
je boekenkast omgevallen,
de ijskast leeg, kandelaars gestolen,
je dwaalt door je kamers als een late
voortzwoegende mug,
anders gezegd:
je overnacht die nacht op het water –
is dat poëzie?

Misschien moet ik ooit de zee op,
bij nacht, bij vloed, niet de zee van Saint Clair
maar de zwarte. Omdat mijn dochtertje
dood wil – wie dood wil moet mogen,
maar zij schreeuwt als een meeuw,
ze weet niet meer wat ze wil, denk ik –
ze werd van de boulevard af het strand
opgesleurd, bleef met haar oorbel
hangen aan de bajonet van een spuiter –
ik laat mijn verbeelding en bijna
mijn tranen de vrije loop.

Je moet geen gedichten maken (zeg je)
die iemand pijn doen,
iemand die van je houdt of hield
en nog leeft,

poëzie mag nooit pijn doen.

Huub Oosterhuis, Gedroomde god (10)
vandaag in gesprek voor Meander met Oosterhuis
komen we toch in de Rode Hoed al is het niet als winnaar van een Turing

dat aanstekelijk grimassen

Het spreekt voor zich.
Hoe distels over paarden praten.
Wat ongebleekte katoen de maan te zeggen heeft.
Het is me helder.

Echter.
Wat zou een potlood aan de zon willen zeggen.
Wat vraagt de ochtend aan de avond,
als de middag er niet telkens tussen zat.

Wat zou het onderbewuste,
het bewuste willen laten vergeten,
als het niet vergeten was, hoe vergeten ging.

Waar zouden schaamte en dauw
elkaar willen ontmoeten.
Waar ligt het breekpunt van een kindertraan.

Wat zou liefde lust willen vergeven
als alle vragen niet zouden worden verzwegen.
Waarover oreren het onbekende en onbegonnen werk
na hun tweede Tinder-date.

Wat vraagt het knoopsgat aan de container,
het priemgetal aan het breekijzer en
de volgesneeuwde fietstas aan de wereld.

Waarover wil het gevoel spreken
als -het vergetene- zichtbaar was.
En wat wil het gesprokene voelen
als het de woorden vinden kon.

Waarom ik het wil weten, ik weet het niet.
Of ik het wil weten, ik heb mijn vermoedens.

Hugo de Haas van Dorsser, Wordbites, De dingen,
uit: Aan alles komt een begin (De ander)

zeker negen

Ik denk het water dat groot en grijs begon.
Begin.

Het rolt als een herinnering die zich hervindt en anders.

Maria Barnas, uit Vreemdgaan
uit: Er staat een stad op /
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑