Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: bloemlezing derden (page 1 of 70)

zo’n verzinsel zoals ik mezelf dat geef

dat gij, ofschoon alles veranderd scheen,
dezelfde zijt, dat ge niet kunt verkleinen
binnen de eenmaal vastgestelde lijnen,
waaruit alleen de achtergrond verdween.
Over de hongervlakte van de tijd
roteert de verte om een oud profijt.

Gerrit Achterberg, uit Potentieel
(Voorbij de laatste stad)

2018 jaaroverzicht

dat een voormalige dichteres des vaderlands
net doet of het stellen van vragen poëzie is
en dat kunstje ook eindeloos herhaalt als ze optreedt

dat de poule des doods lekker aangevuld is dit jaar
ja dat krijg je er van als je over lijken gaat
en dat al die gortdroge jaaroverzichten mij de keel uithangen

dat dichters wel 88 teentjes hebben waarop je kunt trappen
dat ik het nog steeds erg leuk vind om op 88 teentjes te trappen

dat die protestants gristelijke zedenpreekster met die rare ogen
zeker niet de slimste mens was

dat je alles wel poëzie kunt noemen
als je er maar vragen bij stelt

dat Alja Spaan de meest indrukwekkende bundel schreef in 2018
over dat niets – onontkoombare existentiële niets
dat er ook met niets te leven valt

dat we 2018 nemen zoals het is
en het verlaten
maar nooit verlaten van wat was

(c) pom wolff

tien minuten voor aanvang

Hetzelfde liedje als elke morgen.
Als elke dag die zo begint.
Die zich vandaag noemt. Trek
de gordijnen weg en kijk. Daar staat hij. Breekt
zodra je hem in het gezicht ziet.
Breekt in je ogen.

Open een deur. Waarheen?
Zet stappen. Sta buiten. Herhaal dit.
Herhaal dit en zwijg.
En wacht.

Dit alles zal niet duren. Zelfs het zwijgen
duurt niet. Het eindigt.
Een ogenblik.
Eindigt.

Daarna is er niets meer
dat zwijgt. Geen dag die nog breekt.

Joop Scholten, (1942-2018)
Als elke dag uit de bundel Voor de dag van morgen,
Gedichtenwisseling Joop Scholten/Frans Terken

uit mijn voorwoord (november 2016):
‘de reis delend wordt het verlangen en het heimwee tot een zoete melodie die voor ons allen hoorbaar is. Nog even en we fluiten het wijsje mee.’

Vanmiddag begraven we Joop. Hij overleed 21 december jl.

tot hij weer bij zichzelf uitkwam

Neem nooit een dichter, m’n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op….

Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je ’s morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.

Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.

Annie M.G. Schmidt, Raad,
uit Weer of geen weer 1954 en meer

zonder de illusie of zekerheid

We kunnen het wel lang maken, wel blijven
praten tegen elkaar en tegen de tijd, maar

geen enkel verhaal is dat ene, waarin we
ergens vandaan gingen en ergens aankwamen.

Laat ons eens praten over de dingen waarover
we dat niet konden en nooit zullen kunnen:

we hebben het huis verlaten, en keren terug,
maar onderweg groeit het gras de weg dicht.

En ook zo is het niet, ook dit verhaal doodt
de tijd niet, er is een ander verhaal,

maar dat is oneindig veel korter.

Rutger Kopland, Het verhaal over deze weg kan kort zijn,
uit Geduldig gereedschap.

het zorgvuldig en zacht bijeenrapen

“dat we niet meer lichtvaardig over het niets zullen schrijven. dat was de wens in een van de gedichten van alja spaan”

 

Ze schrijft

Ze verlengt de slaap met haar schrijven
maniakaal, elke dag, in veertien regels
waarin tijd nog niet tikt als een klok

Ze vindt de woorden die vooruitlopen
op de sprakeloosheid, als een vertaler
die de zinnen van haar lippen zingt

De beelden bewegen nog warm en zacht
als tussen de lakens, dicht op haar lijf
en dansend op haar eerste ademhaling

Ze hoeft het niet te lezen wat er staat
de taal zal haar voldoende bodem geven
en ze ontwaakt met de titel voor morgen

(c) Marten Janse, voor Alja Spaan, 25 oktober 2018

hoe oranje rood wordt

Ze hadden geen uitzonderlijke lijven, geen verblindende
schoonheid, ze waren niet jong en hun jurken

hingen doelloos om hen heen maar taal liet hen slingeren
om elkaars heupen, voeten wrijvend tegen

elkaar, haar dat glanzend omlaag viel, lippen stukgebeten,
herkennen tot het laatste moment. Niet

mee te kunnen daar en toen, spijt voor niet getoonde moed,
op de bank met een veldboeket waarvoor je

niet eens meer bukkend over de aarde naar haar toe kon.
Kamers die grenzend aan elkaar alleen

openden bij een klop op de deur, handen onder tafel, het
gesprek altijd afwendend, kijk hoe bijzonder die

ander is. De mooiste voor haar, altijd jong voor haar, het
laatste woord altijd voor haar, ook nu.

de andere kant

Wat jammer dat de aarde niet op maat is
als elke puzzel in haar puzzeldoos
of als haar pluchen apen en haar beren,
net groot genoeg tegen verlegen.

uit Nichtje, Luuk Gruwez
uit Bandeloze gedichten. Een keuze uit de poëzie 1977-1990,
opgenomen in de bloemlezing Familie duurt een mensenleven lang (Menno Wigman)

die passanten

ik hou van mensen die blijven, zei hij,
we stonden samen onder het afdak te turen
naar het kantwerk van de winterbomen
en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan

hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd,
langs vergane boomgaarden, nabij tere beken,
voor een gesloopt huis hield hij halt en
keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde
aarzelend sloop er zomer in zijn stem
en ik zag dat hij even weg was

Victor Vroomkoning, ik hou van mensen die blijven
uit: Een mens op de bodem

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑