Liggend aan het water zag ik haar alsof de gouden
bol bovenop haar statig dak de weg wees

die ik zolang vermeden had en de mogelijkheden
eveneens: haar te openen, binnen

te treden alsof ik nooit weggeweest was, haar lange
gangen te doorkruisen en dansend van

het ene vertrek in het andere te komen. Nog had
ik kinderen op mijn heupen, mannen

aan mijn zij, bloemen om mijn enkels, de zon in
het water, boten getrokken in het gras.

Ik was niet vertrokken zolang ik me dat herinnerde
maar ik moest door kieren van

slaande deuren en geheimzinnig gefluister toekijken
hoe een ander haar bewoonde.

 

scannen0021-2

een deel van het ornament op het dak van het oude huis