Hij maakte de hoed en zette hem op zijn hoofd.
Het was de eigenaardigste hoed die er ooit was gedragen, en van heinde en ver stroomden de dieren naar de esp, aan de voet waarvan de rugstipgoudoogdaas zat, met de hoed iets voorovergezakt over zijn ogen.
‘Wat een hoed!’ riep iedereen.
Sommige dieren wilden de hoed aanraken. Maar dat vond de rugstipgoudoogdaas niet goed. Hij had een klein bordje aan de hoed gehangen waarop stond:
ZELDZAME HOED
NIET AANRAKEN
Andere dieren snoven aan de hoed, hielden hun oor er vlakbij en hadden dikke boeken bij zich waarin alle hoeden stonden die ooit hadden bestaan. Maar de hoed van de rugstipgoudoogdaas stond daar niet in.
‘Wat een hoed! Wat een hoed!’weerklonk het.
De rugstipgoudoogdaas zat onder de hoed, die geleidelijk verder over zijn gezicht en toen over zijn hele lichaam schoof. Niemand keek naar hem en niemand dacht aan hem.

Toon Tellegen, Een hart onder de riem, Dierenverhalen vol troost