Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: mei 2019 (page 1 of 4)

de taal van het verlaten land

“Buiten, over de hooglanden, laaglanden, regenwouden, sloppen, landgoederen, vlakten, de negen streken van het kompas, viel vrede langzaam uit de met mist vermengde lucht. De werkelijkheid is de bladzijde. Het leven is het woord.”

David Mitchell, uit Number9dream, vertaald tot DroomNummerNegen door Aad van der Mijn

de hoed, de rand

 

Alkmaar, 29 mei 2019, een bank vol zon

de hoed, de rand

Zijn auto staat geparkeerd onder mijn werktafel, zijn hele zijn
in mijn hart, de hand vanzelfsprekend uitgestoken,

zijn hoofdje, neusje, mond tegen de mijne als ik op de hurken
hem vasthoud op het toilet, zijn blote rug

voor mijn beschermende hand, mijn woorden een mantra, een
steeds weer herhalende wens. Het weer is zonnig,

zegt hij, nog steeds in de taal van het verlaten land terwijl hij
speelt met vogeltjes die denkbeeldige kruimels

oppikken, wagens die klemraken in gaten onderweg, de bal die
rinkelt bij het overgooien. De blik op

oneindig als hij zorgvuldig eet en altijd de goedkeurende en
innige geluiden, kleine notities in zijn eerste boek

en vooral de wereld vanaf zijn hoogte chaotisch en vies vinden
tot de vogels fluiten in de achtertuin.

“de woorden krijgen naar mijn gevoel opnieuw ruimte om te ademen”

 

Interview met Laura Tack

“de woorden krijgen naar mijn gevoel opnieuw ruimte om te ademen”

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

open einde en inwisselbaar

De heer S. zegt dat hij normaal liever televisie kijkt maar dat
ik het heel aardig doe terwijl mevrouw de B.

meent dat het wel wat harder kan, ‘schreeuw het maar uit,
meissie’ en niet vanwege het portie leed dat

ik voor hen in leuke verhaaltjes vat maar omdat ze hartstikke
doof is. Ze schuift zelfs door tot naast mij zodat

mevrouw V. haar vaste plek kwijt is, de heer R. onthutst de
verkeerde hoek neemt, mevrouw Z. van de

weeromstuit naast mevrouw T. belandt die ze echt liever niet
ziet (zou ze aan de etenstafel zitten, ze kreeg geen

hap naar binnen) en de heer W. in de andere zaal plaatsneemt
waar dames verontwaardigd doorgaan met

punniken, breien en kletsen vooral. ‘Mevrouw de B.!’ willen
we roepen maar ja, dat hoort ze nu eenmaal niet.

dit keer vanwege

Hij houdt niet van woorden als vooralsnog, niettegenstaande,
halverwege, ik wel. Hij gebruikt geen

termen als obstinaat, consciëntieus, wanstaltig of langdurig, hij
zegt ook niet ‘ik hou van je’, ik wel. Hij

grinnikt bij fase en tussenvoegsel, open einde en inwisselbaar
en dood is voor hem nog altijd leven. Dat

ik dat maar weet. Zo kan nog altijd mijn budget lager, mijn
verplichtingen minder, mijn hart iets

minder bloedend. Ik zou iets minder zwart kunnen dragen en
moet iets verzinnen voor al die losse haren op

de grond en verder is het een praktische overweging om mij
in te lijven, te gebruiken en te vervangen daar

waar het verdienmodel blijft steken in een gedachte alleen: zie
toch hoe lief ze daar ligt bovenop haar prachtige borsten.

iets dat langere armen heeft

De jaarlijkse uitgave van het Nederlands Dagboekarchief wordt dit keer – vanwege het 10-jarig bestaan van het archief – een hommage aan de lezers. In de bundel die twee dagen na de Dag der Dagboeken, 14 juni, wordt gepresenteerd bij boekhandel Blankevoort in Amstelveen, een aantal van mijn gedichten waaronder deze van december 2018

FEESTELIJKE UITNODIGING (005)

 

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

krachtmeting

Er is iedere keer een boosheid die zich tussen twee pauzes en
twee ogen schuilt, het ligt onder een frons en

komt uit een mond die zuur en dun wijder wordt, het slaat met
een hand het voorgaande weg en belooft niet

veel goeds voor het volgende. Er is een gedachte die zwaarder
weegt dan het lijf bovenop hem, iets dat

zwarter is dan haar melkwit en iets dat langere armen heeft. Hij
beweegt niet langer, zij stapt af, raapt de kleding

van de vloer. Aangekleed wacht de nieuwe dag, koffie, broodjes,
het ei precies zo hard als hij het wilde, zon,

de auto op de hoek, als hij voortmaakt is er nauwelijks tijd verloren,
hij lacht alweer. Zelden staat hij zich

de lichtheid toe van haar bestaan, zij keert de lege dop en geeft
hem een lepeltje, hij moet verrast kijken, deze keer.

zodat je tenslotte zou knipogen

Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑