Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: september 2017 (page 2 of 5)

het bloot van jezelf

en wat herinnert u zich? 
nog enkele exemplaren te koop via uitgever Watervis

optredens:
Reuring:
vanmiddag Alkmaar
op tournee, Dichter op het Duin, Panorama Mesdag Den Haag, 1 oktober
Alja:
Het Woord in Ruigoord, 8 oktober
Old School Leiden, 22 oktober (gastdichter bij de presentatie van de nieuwe bundel van Gijs ter Haar)

het bloot van jezelf

 

Op de plek waar hij zat ligt zijn kussen en als een vergeten
jurkje ligt daarop mijn bundel en door

de foto op de omslag ben ik meteen terug op het erf waar
wij speelden, niet tegelijkertijd maar wel

de hoeken en nissen delend, de spinrag en damp, beiden
uitgesponnen boven de dierenlijven, de

vieze muren, het opstapje naar de keuken waarlangs de
blubberlaarzen en klompen, de geuren van mest

en schuimende melk, en toch zit ik tegenover hem en heb
het over niets, hij is een rondje om nog, hij

zal zo wel verschijnen maar zij huilt en zegt dat het zo leeg
is en dat is de reden dat ik zwijg, natuurlijk, hij

is misschien wel bij je vader, zegt zij nog en onhandig zie
ik ze de koeien uit het land halen, hun petten scheef.

mij in haar gebeden

Dat je je staande houdt met een opdracht van niets, in het
donker en in de kou en met je weergave in

het raam voor je, de bomen dunner, de buurt duidelijker,
het bloot van jezelf onder de haren die nog in

mond en ogen steken, daar zit je dan, de lucht zonder tekens
en in het trappenhuis de sigaretten uitgetrapt

start over een half uur een brommer, hakken die tikken en
aanslaan en dan je vingers allang weer opgeborgen,

soepeler nu, en de woorden vanuit je slaap zodat je je kunt
redden de rest van de tijd, sla mij

nog een kruisje, neem mij nog eens bij de hand, het licht
doet je verdwijnen, roze de hemel in, dat je

terugkomt in vol tenue ziet niemand, benzine verdampt in
de spleet naar de uitgang, wat moest je ook weer doen?

waarboven zich rood de warmte laat vallen

Goed bezig, roept ze me na en het is of ik de gelovige
buurvrouw van jaren her hoor beloven dat ze mij
in haar gebeden zal stoppen, de

hand om de mijne en ook hoor ik hem nog zeggen dat
ik er nog niet ben, toch? Hij aarzelt misschien iets meer
maar het is dezelfde inmenging die

ontoelaatbaar is, de ongevraagde hulp, zo aan de ruime
tafel mij trakteren op een mening waarover vervolgens
een halve nacht gewaakt wordt, waar

ben ik dan in godsnaam nog niet maar het is niet dat
‘waar’ maar het waarom dat me doet draaien, zeker
hebben ze allemaal gelijk, liefde, het

is liefde, die warmte die zij uitstralen en bovenop mij
plenzen terwijl ik kou wil en onverschilligheid en jaren
later trots en ongeloof, dat laatste vooral.

schaterend over een vergrijp

Slaap is grond, gras, bron. Is het geheim der planten.
Is verder van de dood toch dan zon, paring of geboorte.
Maar onze handen reiken achter sterren in de slaap,
om wat te zoeken, te omvatten?

Welke wegen gaan onze vingers?
In welke getallen bestaan wij?
Van welk licht, welk duister, glanst onze huid?

Wij zijn meer dan wij,
want wij zijn meer dan onze uitgelegde dromen.

En ook: vermoeienis verlaat ons – honden uit de steden vluchtend,
en ook: ontwaken is een stad, te schoon maar licht van moed,
en slaap wordt: wouden achter ons, een meer, de lucht, een vlieger,
wordt diep en hard verlangen. En dat doet ons leven.

Hans Andreus, uit:
Slaap: een ruimte, uit: Ik hoor het licht, bloemlezing Jan van der Vegt

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

een boekhoudkundige staat van dienst

 

Soms verwacht ik dat ze me nog belt, is het geen tijd
te melden dat het weer haar zo somber maakt,

heeft mijn vader niet weer iets doms gedaan, is mevrouw
S. weer niet voorbijgefietst, het hoofd

triomfantelijk achterover, schaterend over een vergrijp
dat veel eerder plaatsvond en moet er

nog maggi komen uit de tuin en wat heb ik nog meer
gemaakt? Vaak is het onvoorstelbaar dat

het telefoonnummer van mijn ouders allang verdwenen
is behalve in mijn hoofd en dat ik

heb moeten leren het niet meer te draaien. Soms ook
moet ik mijn pas nog inhouden om niet

naar haar toe te hollen en net voor haar behoedzaam
mijn warme hand in haar koude te leggen.

de collega’s

De dichter herinnert zich mijn atelier, mijn kinderen, zelfs
een onmogelijke theorie van een andere bezoeker,

hij herinnert zich de wijn, het eten, het schuilgaan in een
hoek van de ruimte in driedelig pak, zwart,

een gouden dasspeld door het bovenste knoopje, het in een
schilderij verdwijnen. Hij verjaart en snijdt mij

in precieze halen een twaalfde van de taart, het is een van
de weinigen met wie ik een boekhoudkundige staat

van dienst deel, op zijn snor verschijnt het zweet, de helft
van de tijd zijn de ogen dichtgeknepen, het

mes blijft gelukkig boven de traktatie hangen maar de woede
treft ons allen, het is niet meer mogelijk een

vers te maken, wil ik soms twee stukken, en wat was dat een
ontzettend leuke tijd, toen hij nog jonger was.

zij telt tot honderd

Dit waken dat ik doe, dit vragen om bescherming, een
goed teken, dit al mijn geliefden opnemen in

een vaderlijk gebaar, dit oude gebed dat ik nog altijd als
mantra gebruik, het kleine scherm

open naast me, ja mam, we zijn oké, een hart dat bonst en
rood oplicht terwijl het mijne in mijn keel en

in mijn buik doorschijnt. Te denken aan de dagelijkse reis
van huis naar werk, van huis naar school, van

huis naar crèche, van huis naar huis en terug en zelfs de
namen onthoudend van de metrostations,

de wijken, de windrichting, de collega’s, de tijden en dat
op zijn hoogte, ongeveer kruipend en passend

en kraaiend en wijzend, daar komt het licht vandaan, de
enorme knal, het gegil, de vertrappende mens.

zij telt tot honderd

Zoeken betekent: een doel hebben. Vinden daarentegen: vrij zijn, open staan, geen doel hebben. U, eerwaarde, bent misschien inderdaad een zoeker, want terwijl u uw doel nastreeft, ziet u veel over het hoofd van wat zich dicht onder uw ogen ophoudt.

Herman Hesse, uit: Siddhartha, vertaald door A.M. Binkhuysen
(een van de citaten gebruikt voor boek 9)

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑