Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mamma (page 2 of 22)

kwijtgeraakt

Van deze dagen zou ze zeggen dat ze wel kon huilen omdat de
streperige ramen haar uitzicht beperkten, de bomen

zwaar en zwart de planten het groeien belemmerden en haar als
lijfwachten tegenhielden van het erf te gaan,

de klei zompig aan haar hakken bleef hangen en er niets te halen
viel dan de broodkruimels die ze voor een ander

uitstrooide bij de deur, dat niemand daaraan dacht en ze bedoelde:
aan haar. Ze zweeg soms ook gewoon aan de

andere kant van de lijn alsof alleen haar ademstoot door de hoorn
voldoende was om het lijden te melden. Bij sneeuw

was het een ansichtkaartje dat ze weliswaar vrolijk kon rondsturen
maar dezelfde gevangenschap inhield, altijd was het pad

naar de bewoonde wereld onbegaanbaar terwijl ze niet eens weg
wilde, niet echt, maar een onbeperkte vrijheid miste.

het effect

De kamer van het waterhuis is uitgetrokken tot een balzaal
die naast mijn oude zilveren bed een slaapplaats heeft voor
mijn jongste en zijn vader, een kinderbedje

waar niemand meer in past. Er volgt een verhaal in een verhaal,
een doos in een doos, een huilen in een droefenis waaraan geen
einde lijkt te komen. Terwijl ik droom loopt

iemand over mijn rug. Ik denk aan een inbreker maar weet
tegelijkertijd hoe absurd dit is, ik gil en mijn vorige man komt
kijken en haalt een konijn van mijn rug, daarna

mijn moeder die zich uitgespreid heeft neergevlijd, gaat dan
zelf daar liggen, bovenop de dekens, en drukt mij zachtjes neer.
Ik weet dat ik droom in die droom en ik hoor

mezelf snikken maar de hele nacht verloopt rustig en behalve
die figuren kom ik niemand tegen, ik slaap tot de ochtend en
weet alleen dat ik ze ontmoet heb en gevoeld.

De morgen is donker van regen en wind, de boomhut knarst,
bijna dek ik de tafel met extra bordjes. Dan vertrek ik in een
blauwe jurk en sluit de deuren zachtjes.

hoe lekker warm ze daar lagen

Ze plukt het haar van mijn jasje, engelenhaar, zegt ze, omdat
het krult maar mijn stroblonde haar valt

recht naar beneden, kan ik daarom niet tegen die zachte en
dwingende aanraking van handen die

verzamelen en tegelijkertijd corrigeren alsof mijn moeder aan
de zoom van mijn kleding trekt in de hoop

dat het minder ordinair wordt, minder vol en minder zwart?
Ik wil niet voelen, zelfs al is het nauwelijks

en ik wil niet dat zij zegt dat ook zij haar verliest en naar de
grond wijst, ik wil niet delen en ik wil

het bestaan van engelen ontkrachten. Dan zegt ze nog iets over
de lengte en mijn schouders krimpen en op

straat denk ik steeds achterom te moeten kijken of zij me niet
volgt, kokette stappen die leeg en hol klinken.

alleen ik

Opdat niemand verdwijnt, liggen we lijf in lijf. Opdat niemand
valt, liggen we wang tegen wang. Om niet

verloren te zijn, houden we elkaars hand. Soms controleren we
de ogen: staan ze wijd open, dan zijn we bang als

een kind, er schuilt iets in het donker dat ons verslindt, zijn ze
gesloten, dan dromen we ons veilig. Vannacht

was mijn jonge ik, getooid met het paarsblauwe haar uit een
opstandige periode, veranderd in mijn moeder

maar haar kon ik rustig laten liggen. Gisteren was het lijf een
uiteengereten versie van mijn dochter terwijl

haar kinderen zachtjes zwaaiden voor het raam van mijn huis
in het dorp dat ooit langer dan een lint zich

kronkelde onder onze voeten. Blijkbaar hield iemand me even
niet zo goed vast, mijn beide handen los, mijn wang koud.

een dansje wellicht

Dit keer is het een lief die met een Amerikaanse slee vanachter
mijn ouderlijk huis de tuin rondrijdt, het hek uit zonder

te groeten, op de lege plaatsen achterin allerlei apparatuur om
het gezin te vereeuwigen, iets dat mijn moeder

voordien deed, wij spelend in het grasveld, haar ring aan een tak,
een boomstronk, in de kelk van een bloem, een

handstand lukte nog net niet, er is een plooirokje dat over mijn
gezicht valt. Terwijl ik nog iets wil zeggen tegen

de man, passeert hij zonder te kijken en ik weet zeker dat de klus
nog niet gedaan is, ik herinner me niets van

poses en posities en zeker deed hij niets leuks met sieraden en
de natuur. Ik ben zo beledigd dat ik zelfs geen

huppeltje heb mogen doen dat ik wakker van plan ben dit meteen
te melden maar eerder aan mijn mamma dan aan hem.

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

zonder stemmen te horen

De taal van mijn moeder wordt met rode lijntjes versierd
als teken van onbegrip, onmin in

het uitspreken. Het is alsof ik haar hoor ruziën en mijn
vader alvast erop uit gestuurd wordt de

wandbordjes te kopen die ter verzoening aan de keukenmuur
verschijnen, het goud om haar polsen, de

soepele stoffen om haar ranke lijf. Het dakje, schuine streep
of rondje boven vele letters onzichtbaar

in alle pogingen elkaar te begrijpen. Er is een dichter die
met gesloten ogen haar bijna zingt, het

gebruik van de verleden tijd, ik zie zusjes op het erf de
melkbussen schrobben, in de sloot loopt

een laatste restje melk, de deksels kletteren tegen de tegels,
haar wangen rood bloost zij.

mezelf misschien

Omdat ik mijn vader heb horen gillen door het dunne behang,
de ramen klepperend door te tochtstroom, de takken

van de kastanjes roffelend het spookbeeld vergezellend, de
nacht het inktzwarte duister dat boven de velden

bleef hangen, mag ik zelf schreeuwen, mijn schoenen door
de kamer werpen, de bijbel vanonder het

kussen verliezen, de greep op hun handen met een botte bijl
doorklieven, de lakens bevuilen, het kind

kwijtraken. In de beklemmende stilte daarna vonden we alles
terug, hij kauwde traag zijn ontbijt, de kopjes

thee lauw maar recht in hun schoteltje, de gordijnen open, de
deur van het slot, de route langs het water van

hetzelfde aantal kilometers, wind tegen. Het duurde alleen wat
langer alvorens mijn moeder haar mantelpakje vond.

met potlood

Vannacht was er een reus in een te kleine bruine leren
jas die in de achtertuin van mijn ouders

de struiken omschepte en torentjes bouwde van botten
en stokken, later verbouwde hij hun huis en

zette het op een marktplaats achter een kerk. Hij was
gewoon van lengte en leek op een liefje,

overlegde over kleur en stenen en had rode bloemen
in plaats van haar. Ook zat ik aan tafel

en vergaderde terwijl mijn moeder in mijn schoot
lag, ik wiegde haar en vertelde over ons huis.

Ze duwde later de bouwvakker een hoed op zijn hoofd
en plaatste hem achter een kapot venster, nam

een foto waarbij zijn silhouet tegen de muur bezit nam
van het hele huis. Drie pilaren resteerden.

het blijmoedig goedemorgen

Dan is ze er eindelijk, in de ochtend net voordat ik wakker
word, loopt ze mijn droom binnen en mijn huis

in haar elegante bontjas, haar hoed sluitend om haar hoofd.
Ik sta achter een toonbank, zij wacht tot ik

opkijk en lacht. Ik hoor mezelf haar begroeten, woorden
verkleinend, zo heb ik haar nog

nooit genoemd, en zij is zonnig en vertrouwd en vooral
niet boos en ze staat daar, ik kan haar

aanraken. Ze is als de frisse lucht die binnenstroomt als ik
de deuren opengooi maar ze blaast

adem voor adem, ze doet er lang over dit keer en ze blijft
niet, ze blijft niet waarschuw ik mezelf,

maar ze lacht en als je verwacht dat ze gilt en huilt en dood
is eigenlijk, is dat alle reden op te staan.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑