In het natte land de natte paarden, hoofden bij elkaar, licht
huiverend de flanken, het groen dieper van kleur,

de sloten donkerder, borrelend bijna van nieuwe inhoud,
de trein snijdt het laatste weiland, gretig als

de wind die raast over de schuren, de daken optilt en laat
vallen. Verderop wacht in groepjes de mens

onder de hellende gevels, tegen de muren, benen bij elkaar,
kleding fel of vergeten, sissend tegen

elkaar of de lucht terwijl de straten glimmen, leeg nu op de
voorovergebogen fietser na die met natte handen

het stuur probeert te houden, ledematen zwaar van het vocht,
verkild en langzaam. Alles verlangt de stilte

en de terugkeer van de warmte en die helderheid, nieuw land
dat ruikt naar vroeger en thuis.