Een paar dagen zonder mensen, anderen dan de poppetjes
ver beneden op straat en hun dichtslaande autoportieren,
vroegtijdig afgestoken vuurpijlen en blaffende

honden, zonder gesprekken, aanwezigheid, tegenspraak en
geduld, als een weiland zonder beesten maar alleen met
laagtrekkende meeuwen of vallende zwaluwen

en regen dus natte aarde en geen uitzicht dan het zelfbeeld
in de huilende vensters, geen geluid dan het neervallen van
het water en geen beweging dan het meten van

de omringende muren aan de stappen van alleen jezelf, het
schilderij aan de ene, de foto aan de andere, het papier tussen
je vingers al bijna uit elkaar vallend van ouderdom,

verzet binnen de letters, als een herinnering een uitspraak
herhalend, dat van troost, dat van liefde, dat van toekomst,
dat van geheel, gebaar van voortgaan, wachtend

op de ster aan de hemel, het breken van het massieve zwart
dat andermaal het begin is tot daar een kind ketst tegen de
zachte wanden in je lijf en begint met praten.