Al voordat het begint, is ze terug in de keuken van het eerste
huis, leunt tegen de koele tegels, vingers in haar

oren. Ruim voor de eerste lichtflits, telt ze haar zegeningen want
dat moet, als ze dat doet, kan er niet iets ergers

gebeuren. Ze zegt haar mantra, kijkt soms stiekem tussen haar
oogleden door, wacht af. In alles hetzelfde

kleine meisje van toen. Lang voor de zinderende warmte, ergens
tussen het eerste wolkje in de lucht, soms

ook in elke regenbui, verwacht ze het onheil van boven want het
heeft altijd met iets van haar te maken. Vroeger

zeker, nu twijfelt ze soms. Nu probeert ze alles bij elkaar te houden,
bezittingen, liefde, zichzelf, muren, kunst, de

woorden, ze komt altijd armen te kort. In die keuken daar had ze
nog niet zoveel, dat scheelt. Ze wil weer terug.