Als ik hem in de ochtend vasthoud, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.