Mijn zoon vraagt of ik hem goed kende, die dichter die dood
was nu, want we appen waar we waren en ik zei

ik liep over een terrein dat 33 voetbalvelden groot was want
ook dichters gaan dood en hij zei ‘o jee’, nee,

antwoordde ik, hij liet zich niet kennen, alleen in zijn gedichten
dan. Is dat iets goeds of iets verkeerds, vroeg mijn

kind, en ik zei dat het net zoiets was als bij ons. Hij wist zonder
meer wat ik bedoelde. Er is niemand die deelt in

mijn zijn tenzij ik het opschrijf in 7 x 2 regels. Hoe is het daar,
vraag ik, want alle drie kinderen zitten al weken

in het buitenland en hij onderzoekt de levensvatbaarheid van
een relatie. Ik ben al bijna terug, zegt hij, en ik

ga niet nog eens. Dat wordt schrijven dan, noem ik, en geef
een liedje door van die middag, hij appt ons hart.