Langer dan menig minnaar maar met dezelfde gretigheid houdt
hij mijn hoofd tussen zijn handen, duwt het licht

in de gewenste positie, flitst met zilveren vingers, zachte doeken,
warme borstels waar zij slechts kooswoordjes hebben,

natte tongen, haastige trekken. Waar hij mij in geur en zachtheid
wikkelt, rollen zij mij af, de lucht bijna bedorven,

waar hij me veilig houdt, om me heen lopend als een trotse eigenaar,
is overgave zoveel vanzelfsprekender, overleg ook.

Hem vraag ik of het goed is, hij hoeft slechts mijn ogen te zoeken
in de spiegels tegenover, het zilver te herschikken en

de stoel te draaien. Alles wat er van me achterblijft, veegt hij in
een hoek met behoedzame lange slagen terwijl

nog dagen daarna mijn haren licht gebogen mijn lijf doen dansen,
langer dan mening minnaar doet.