De ontluistering huist in het bovenste gedeelte waar onder
het dak de muur rozerood verloopt, een paar

portretjes scheef de glorie van weleer bevatten boven scheur
en vochtvlek, een schakelaar geen functie meer

heeft en kabels afgesneden als losse lichaamsdelen in een
duistere hoek hangen. Over het dakraam glijdt

een barst, een gordijn hangt nog vol stof, stoelen staan altijd
klaar boven op elkander maar het geluid van beneden

nodigt uit tot het snel verlaten van deze ruimte. Het feest is
twee verdiepingen lager, de warmte uit de jassen

dampt na, de glazen rinkelen, de schalen passen in gekromde
armen, gebogen wordt voor haar inhoud, handen

liggen op schouders, lippen krijgen nieuwe kleur, gegiechel
bij het aangeheven lied, iemand reikt tot de zoldering.