Geluk was fietsen onder de tunnel door terwijl er een
trein bleef stilstaan en zelfs als hij net langzaam

wegreed, een glimlachende chauffeur die je liet oversteken
ook al was er geen zebra, een man die

sorry zei terwijl je tegen hem botste, een grote koffie voor
het ongemak van het lange wachten, een

passant die over je haar begon, dat danste op je rug. Ook
wel het thuiskomen met boven je een

inktblauwe lucht die, eenmaal binnen, uiteenscheurt en
met groen, geel en witte vlagen lichtflitsen

voorbij de horizon stuurt, een kind dat je tot voorzichtigheid
maant, het derde deel van een boek dat je

zelf had moeten schrijven, de stilte nadien en ergens in de
verte een bekende stem die een liedje begint.