Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.