Als de schreeuwers nog slapen, sla ik mijn slag. Ik
fileer hun huishoudens, dring me op aan hun

aanrecht, vermaal hun geschiedenis, zet de geluiden
op nauwelijks hoorbaar. De rest van

de tijd doe ik dan alsof ik niet aanwezig ben. Er zijn
volle kastanjebomen waarin ik woon, enge

staketsels waaraan ik hang, jurken die zelfs over het
hoofd wapperen, de dampende lucht. Ik

schrijf ze uit, zie mezelf op heel andere plaatsen, weet
waar ik vandaan kom, herinner me eraan,

lopend worden de cirkels steeds wijder. De eerste die
opstaat, treft zijn woning in het weiland,

omgekeerd, de tweede zijn auto in de lantaarnpalen,
de derde blijft liggen, roerloos.