Een vriendin die het laatste woord had, vindt hem daar.
Door de stad gesneld nadat hij

even niets meer zei. Zijn trap opgestormd, zijn deur los,
zijn lijf uitgewaaierd over tafel. Ik stel

me voor hoe verbaasd hij nog kijkt of misschien nog om
het laatste grapje lacht, hoe mooi eigenlijk

de afwezigheid is van pijn, op die ene minuut na, tergend
afscheid, langgerekt bedoeld om

ons te sparen. Zoals hij reisde, weinig bagage, opeens, de
dag van vandaag altijd morgen. Ook

zitten we weer naast elkaar, het hout donker, de geluiden
gonzend, het glas geheven en beweert hij,

stelliger dit keer, hoe mooi mijn ogen zijn en het leven en
mijn vader en alle keren dat we elkaar zien.