De nacht laat mij liggen. Het dunne laagje wit dat tegen
de ochtend verschijnt, tegen het vergeten

en voor de behoedzaamheid, de wolkjes stoom vanuit het
hol, het streepje licht dat gisteren rood nog

de lucht daarboven kleurde, de afwezigheid van geluid
en tintelend bijna de belofte. Hij duwde mij

terug, hernam zich, hernam mij. Er zou brood rijzen in
het oventje, boter smelten tussen

de twee helften, een lepel roerde zich door opgeklopte
melk, er zou voorzichtig worden gedronken.

Hij zou de deur ontgrendelen, de wereld alvast openen,
ik zou het uitzicht bewaren. Een vrouw zou

met zingen beginnen, aarzelende psalmen waarin het
hert naast de tijger rust en gespaard blijft.