Overbodigheden bij die beelden haalt hij weg, rafels
zijn het, afleiding en onzin. Uren schuift hij

zijn vingers langs vissen in het water, zilverachtige
sporen, bloemen in een perkje, een fietser

dwars door de stilte, hij zet de camera opnieuw op
zijn onderwerp scherp. Het lint van

het leven, de ronde om de kerk, haar marmeren dijen.
In een klein doosje verzamelt hij de feiten

vervolgens, als ik nu maar dat doosje zorgvuldig bewaar,
toch zijn zomaar al die gekozen fragmenten

net zo teveel als al die woorden die ik in een papieren
pakje stop. Er zou geluid bij moeten

zitten, hartverscheurend, krijsend, of een jurkje dat mij
helemaal bedekt en een haan op de toren.