Bij een bepaalde wind, storm uit het oosten of gewoon
een hoger cijfer dan normaal, schieten de

lichte insecten vanuit mijn rechterooghoek brommend
op me af, alsof ze allemaal van plan zijn

hun angels in mijn bil te steken of erger nog, dwars door
mijn oog te gaan dat voorgoed dan stil

blijft staan. Zo zijn ook de dromen bonter, meer mensen
die mij bezoeken, meer kinderen en kleuren

zelfs als graffiti op een dode muur, het raam klapt dicht,
de warmte schopt mij bloot, ik moet allen nog

waarschuwen voor de kracht van de natuur, wat vergat
ik te zeggen nog, dan komt de volgende

vlucht, spuwend gillen zij nu, steeds groter en buk ik maar
als een medepassagier op de voorste rij.