Het is niet de dood die de dichter stil maakt maar de
afwezigheid van leven. Het missen van

haar kittige hakjes onder zorgvuldig afgestemde rokken,
het schuin vallen van haar zwarte dikke

lokken, het je even aankijken waarbij je niet weet of
het haar somberheid is of de jouwe, dat

terloopse moment van aanwezigheid zoals dat daar in
de velden lag, gisteren, gebroken. Wij

trokken voorbij, keerden haar de rug toe, aten onszelf
de knagende honger dicht. In de nacht

tilden wij haar kist in ons midden en lazen elkaar voor:
hoe we echt van haar hielden of hoe

het geluid van leven klonk alsof ze dat nu al vergeten
zou zijn: het ruisen, het tikken, het vallen.

 

(ter nagedachtenis aan Antoinette Sisto)