Er is iedere keer een boosheid die zich tussen twee pauzes en
twee ogen schuilt, het ligt onder een frons en

komt uit een mond die zuur en dun wijder wordt, het slaat met
een hand het voorgaande weg en belooft niet

veel goeds voor het volgende. Er is een gedachte die zwaarder
weegt dan het lijf bovenop hem, iets dat

zwarter is dan haar melkwit en iets dat langere armen heeft. Hij
beweegt niet langer, zij stapt af, raapt de kleding

van de vloer. Aangekleed wacht de nieuwe dag, koffie, broodjes,
het ei precies zo hard als hij het wilde, zon,

de auto op de hoek, als hij voortmaakt is er nauwelijks tijd verloren,
hij lacht alweer. Zelden staat hij zich

de lichtheid toe van haar bestaan, zij keert de lege dop en geeft
hem een lepeltje, hij moet verrast kijken, deze keer.