Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).