Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: december 2018 (page 2 of 5)

het zeker weten

Er zou een taal moeten bestaan voor de uitgestrekte verlatenheid van ons innerlijk, al die spooksteden die onze ziel heeft verlaten om elders in die eindeloze vlakte nieuwe vestingen te betrekken. Een taal die ons eindelijk verbindt met het doofstomme in zichzelf vervuld zijn van de natuur, maar evengoed met een wasbekken op de hoek van een commode, of de koelte van een verlaten trappenhuis, de treden die als onbespeelde pianotoetsen wachten zonder te wachten.
De religie die deze goddelijke bezieling van de dingen door hun louter zijn bezingt, moet nog worden uitgevonden. Nimmer zullen wezens als wij haar zwijgende bijbels schrijven.

Erwin Mortier, uit: De spiegelingen

alleen maar honden

Was het eerst de verwachting, het op je tenen sluipen naar de
kelder waar het eerste gerecht op de trap klaar stond,

de geuren van het huis, het aanslepen van de takken uit de
besneeuwde tuin, het voorzichtig omhooghalen

van het zilveren trompetje uit de van vakjes voorziene doos,
de bolkaarsen in hun houder die morgen dan

voor het eerst mochten branden, en even later het zeker weten,
dat mijn zusje met de mandarijnenschillen het vuur

zou doen spetteren, gillen zou bij de herkenbare en toch zo
creatief gevulde kip, mijn moeder de hele tijd rode

wangen zou houden, je weer per ongeluk leverworst zou zingen
in plaats van de benodigde vredesvorst, is er nu

de nabeschouwing, het ene flakkerende sterretje, de stem die
opnieuw meezingt met het oudste refrein.

elke dag Kerst

Er zijn eindes die helemaal openliggen als een braak stuk grond
aan de andere kant van het dorp, men treft er ’s nachts

alleen maar honden aan en in de ochtend vuilniszak, vlaggetje en
restanten van een instant maal, niet opgewarmd.

Er zijn aflopende zaken die in een kast geborgen als een te goed
afgesloten voorraad opeens over elkaar rollen en

voor je voeten belanden, even verbaasd als jij en er zijn er die
voordat ze moeten beginnen al bekend zijn, een

afgestreken lucifer bij een vuurpijl die door een zuchtje wind uit
gaat. Toch zijn er dingen die nooit eindigen en die

evenzeer verrassen, ergeren, verontrusten, zich herhalen en hoewel
vaak genegeerd opnieuw inhoud hebben. Prikkeldraad

om het terrein waarin met een tang een opening is gemaakt waaraan
een stukje stof wappert met een bekend patroon.

elke dag Kerst

Het schrijven wordt steeds meer een gebed. Ik doe het ’s ochtends in alle vroegte en ’s avonds voor het slapen gaan. Een gebed vraagt om herhaling. Alleen door de herhaling wordt het waar, niet door wat er beweerd wordt.

Wim Kayzer, uit: De waarnemer

u en u alleen

Zijn schatje staat in de andere rij, hij voelt het maar mag niet
langer dan een minuutje staren dus maakt hij

een domme opmerking tegen de caissière die vervolgens zegt
dat het elke dag Kerst is, jawel meneer, en bij

de uitgang botst hij tegen het karretje van een enthousiast kind
en ziet het liefje nergens meer maar voelt haar

nog steeds. Op het parkeerterrein staat een bekende auto met
de achterklep omhoog, een halve boom steekt

parmantig naar buiten, een man sjort met een touw, kratjes
wijn hebben moeten wijken voor het groen,

hij weet waar ze hem neer zetten zal, hij komt in de verleiding
zelf een boom te kopen maar beperkt zich tot een

domme krans met een rode kaars erin en hoort haar zeggen ‘wel
gevaarlijk open vuur met al die boeken om je heen’

tot hij weer bij zichzelf uitkwam

Neem nooit een dichter, m’n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op….

Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je ’s morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.

Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.

Annie M.G. Schmidt, Raad,
uit Weer of geen weer 1954 en meer

tot hij weer bij zichzelf uitkwam

Heeft u wel eens een dichter bemind op een andere wijze dan
na het wakker worden haar tot u te nemen, haar

van boekenplank tot schoot, van dicht naar open, van nieuw
naar beduimeld, tot u te nemen? Heeft u haar

vergeven en geciteerd, gevouwen en uitgescheurd, bekrast
en bevlekt maar ook onder u genomen, gekeerd,

geschud, gekust alsof zij opnieuw tot leven moest komen en
daarbij gewenst dat haar verzen alleen maar voor

u zouden zijn? Dat zij haar mond open zou doen en zou gaan
zingen bijvoorbeeld en u de regels en niet

alleen die verbuigingen zou herkennen als eerste pagina van
haar oeuvre zodat u zou bedelen om haar signatuur

ergens op uw welwillend lijf? Uw minnaar horen voordragen
dat de wereld wacht op u en u alleen?

‘het woord is zwak geworden’

“Het woord is zwak geworden”

hij is er ook bijna niet

Van zachte roze klei vouw ik een lapje dat zich als een tong
laat bewegen en duw het tegen een ijswand in

een leeg hol, misschien omdat ik aan het deeg voor het brood
denk en al die andere huishoudelijkheden voor

het winters feest, misschien omdat ik een hertje fotografeerde
dat onder een snoer lichtjes stond in een warme

ruimte, niet levend natuurlijk, en mijn kleinste kind met zijn
vingertje over het scherm gleed terwijl hij met

zijn knuffels in een kring zat en Bingo speelde, had olifant
een wesp op het bordje, ja, dan kreeg hij een

blaadje op de wesp en zo de cirkel rond tot hij weer bij zichzelf
uitkwam, misschien omdat ik de zachte handen hield

van mevrouw K. die van dezelfde kleur waren maar ijskoud
en niet meer bewogen dan daar in die schoot.

een heel gedienstig meisje

Tegenwoordig vertel ik hem niet meer dat ik over hem droom
zoals ik verzwijg dat ik hem verlang of mis of

nooit meer binnenlaat, toevertrouw, deel of hoger stel dan menig
ander. Hij is er ook bijna niet. Onderweg kom

ik hem nauwelijks tegen, er lijken altijd kuilen, olifanten of ander
ongemak en de regen snijdt hard mijn pas af.

Een enkele keer voel ik me welkom, toch kom ik nooit aan het
onderwerp toe tenzij dus in het begin van de avond

als ik volzinnen bouw en handgebaren, mijn benen zelfs open en
mijn hand leid, mijn hoofd buig en mijn haren

langer maak. Slapen doe ik eerst na die nachtelijke kennismaking.
In de ochtend zijn er nog vage plannen over, weet

je nog hoe ik, hoe wij dan, maar nu kruipt de storm door de kieren
en brult er een panter op de hoek van de straat.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑