Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: december 2018 (page 1 of 5)

2018 jaaroverzicht

dat een voormalige dichteres des vaderlands
net doet of het stellen van vragen poëzie is
en dat kunstje ook eindeloos herhaalt als ze optreedt

dat de poule des doods lekker aangevuld is dit jaar
ja dat krijg je er van als je over lijken gaat
en dat al die gortdroge jaaroverzichten mij de keel uithangen

dat dichters wel 88 teentjes hebben waarop je kunt trappen
dat ik het nog steeds erg leuk vind om op 88 teentjes te trappen

dat die protestants gristelijke zedenpreekster met die rare ogen
zeker niet de slimste mens was

dat je alles wel poëzie kunt noemen
als je er maar vragen bij stelt

dat Alja Spaan de meest indrukwekkende bundel schreef in 2018
over dat niets – onontkoombare existentiële niets
dat er ook met niets te leven valt

dat we 2018 nemen zoals het is
en het verlaten
maar nooit verlaten van wat was

(c) pom wolff

losgeraakte delen

Iemand die niet vertelt, zegt hij, heeft niemand om tegen te
praten maar zo is het niet. Hij heeft niemand die

luistert. Ik had over de graven willen vertellen en de stem 
die zegt gekend te zijn door Hem, zijn naam in

de palm van die hand, het ijle lied dat over de eerste keer
zingt en hoe ze dat nooit vergeten is, de tranen

van de dochter die wacht tot haar superpappa weer opstaat,
ik had over de akkers willen fluisteren waarover

diepe geulen getrokken werden en zij die zich bogen om de
zaden daarin te stoppen, behoedzaam en voor

later, ik had mezelf willen beschrijven met dat alles en hij
zou me gekend hebben maar ik zei niets; ach dat,

zei hij, weet je natuurlijk al, je kent me het beste en hij sprong
over geul en graf en was het zingen en bukken verleerd.

ons hart

ons hart

Het bed is niet alleen het onderkomen voor slaap en dromen,
spoken en lijken, lust en verleiding, de lakens

absorberen niet alleen zweet, vocht, klamme handelingen maar
ook de woorden die ik, niet hardop meer, achter

elkaar formuleer tot bijtend verzet, revolutie zelfs. In de ochtend
volgt dan de tegemoetkoming, de uitleg of een

verzachtend wijsje maar de strijd is aangegaan tussen mijn eigen
zachtheid en die van het beddengoed, tussen de

stroom frisse lucht van buiten waarin nu een brandende geur van
vuurpijl en geraakte vuilniszak, tussen het half

ontwaken van de bewoners daar om heen, de nachtdieren die nog
schreeuwen. In de ochtend komt het aan op

moed en handelen, overtuiging, het schudden van handen of weren
van losgeraakte delen, met hoge stappen achterlaten.

als kind misschien

Mijn zoon vraagt of ik hem goed kende, die dichter die dood
was nu, want we appen waar we waren en ik zei

ik liep over een terrein dat 33 voetbalvelden groot was want
ook dichters gaan dood en hij zei ‘o jee’, nee,

antwoordde ik, hij liet zich niet kennen, alleen in zijn gedichten
dan. Is dat iets goeds of iets verkeerds, vroeg mijn

kind, en ik zei dat het net zoiets was als bij ons. Hij wist zonder
meer wat ik bedoelde. Er is niemand die deelt in

mijn zijn tenzij ik het opschrijf in 7 x 2 regels. Hoe is het daar,
vraag ik, want alle drie kinderen zitten al weken

in het buitenland en hij onderzoekt de levensvatbaarheid van
een relatie. Ik ben al bijna terug, zegt hij, en ik

ga niet nog eens. Dat wordt schrijven dan, noem ik, en geef
een liedje door van die middag, hij appt ons hart.

tien minuten voor aanvang

Bij een van die ontmoetingen had zijn stem over de akkers
geklonken, de gronden van mijn vaders, en had hij

zijn armen uitgespreid, nog even gedacht dat hij vliegen kon.
Bij een andere probeerde hij alleen maar

rechtop te staan, dat vliegen was een grapje, maar hij lachte
niet. Ik dacht hoe ik als kind misschien maar

nee, hij was al weg, vond mijn huis jaren later, zat in de bonte
stoel en keek. Liefdevol, was een woord,

compassie uiteraard, akkers ook. Aarzeling was een handeling,
bedachtzaamheid zeker, mist over de velden

hetzelfde. Ik stelde me de beesten voor en de natte snuiten in
mijn hand en hoe hij op me wachten zou, niet

met open armen maar gewoon zoals poëzie een noodzaak was
en ochtenden als deze en ontmoetingen als toen.

 

(voor Joop Scholten, 26 februari 1942-21 december 2018)

tien minuten voor aanvang

Hetzelfde liedje als elke morgen.
Als elke dag die zo begint.
Die zich vandaag noemt. Trek
de gordijnen weg en kijk. Daar staat hij. Breekt
zodra je hem in het gezicht ziet.
Breekt in je ogen.

Open een deur. Waarheen?
Zet stappen. Sta buiten. Herhaal dit.
Herhaal dit en zwijg.
En wacht.

Dit alles zal niet duren. Zelfs het zwijgen
duurt niet. Het eindigt.
Een ogenblik.
Eindigt.

Daarna is er niets meer
dat zwijgt. Geen dag die nog breekt.

Joop Scholten, (1942-2018)
Als elke dag uit de bundel Voor de dag van morgen,
Gedichtenwisseling Joop Scholten/Frans Terken

uit mijn voorwoord (november 2016):
‘de reis delend wordt het verlangen en het heimwee tot een zoete melodie die voor ons allen hoorbaar is. Nog even en we fluiten het wijsje mee.’

Vanmiddag begraven we Joop. Hij overleed 21 december jl.

het snoer lichtjes

Omdat het Kerst is, gaat hij met haar mee naar het zaaltje waar
ze met haar vriendinnen vaak wegdroomt boven

de beelden uit andere verhalen, heel verstandig alleen maar
tussen half drie en vijf, en stelt zich, net zoals zij,

tien minuten voor aanvang in de rij en schuifelt dan voor de
beste plaats langzaam naar boven om ook, nog

voor de aftiteling begint, in het donker zelfs, af te dalen en de
beste plek aan de bar te bemachtigen want het drankje

na afloop is gratis. Het enige wat hij fout doet, is een kort
gesprekje aanknopen met de vrouw naast hem die

heus niet bij haar vriendinnen hoort, ze is zelfs wat ordinair
en er kruipt een tattoo onder haar hals vandaan en

hij lacht om haar, dat kost hem zijn toetje en nog wel een heel
bijzondere want het is Kerst tenslotte, slagroom!

het eerste gerecht

Het huishoudelijke van sommige mensen, het ongevraagd geven
van oplossingen en adviezen zoals waarom mijn krenten uit het
Kerstbrood verdwenen zijn, hoe ik het snoer lichtjes

ontwar en vervolgens weer opberg, waarom de belletjes in mijn
hoofdtooi niet rinkelen en hoe ik haar met schuifspeldjes moet
vastzetten als ik niet wil dat zij gedurende de

dag naar beneden zakt, is vaker de kritiek op mijn losse stijl, het
nonchalance en de Franse slag dan oprecht mij proberen te helpen
en tevens meer kenmerkend voor mij zijn dan

het schrijven van een gedichtje in vier minuten, half slapend nog.
Het is meteen mijn kritiek op vaste vormen, constructies, regels
en meer zogenaamde oplossingen die in de praktijk

immers nooit werken en gewoon jaloezie van de a-kreatieven die
hand in hand met hun bedachte levensstijl, Haar, Hem, zichzelf
niet leren kennen noch de keukenprinses uit dit vers.

het zeker weten

Drie keer Kerst 2018, © Alja Spaan

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑