Stond ik jarenlang los tegen het hek ondanks het bord dat ik
terstond verwijderd zou worden, dansend om

de lantaarnpaal voor zijn huis, tegen de gevel net onder de
dakgoot die altijd het water in mijn fietstas spoot,

vleide ik mij bijna mijn hele leven tegen de sportfiets op dunne
banden, het mandje van het meisje verderop, de

beige dikke stangen van de moderne man, nu cirkel ik hoog in
de vierde laag van de garage, opgetild door onzichtbare

handen die mij klemzetten en beveiligen met een sardonisch
oog dat, niet eens knipperend, de hele dag

bereid is tot stilzwijgend toezien op mijn rammelende onderdelen,
mijn verveloos rood, mijn weke zijkanten, roest

achter mijn lichten. Aanpassen, heet dat, opgaan in de massa,
voor je eigen zekerheid en bestaan.