Ze noemden haar Klein Botje omdat ze in haar schort
het geluk beentje droeg dat ze ooit achter in

de tuin opgegraven had en sindsdien nooit meer vergat,
het liefst het schoongewassen ding in haar

hand hield, de rechter, zodat ze met links groette zoals
ze al schreef, een beetje onhandig en verlegen.

Ze geloofde echt dat ze zonder dat geluk niets kon en
zeker voortijdig zou verdwijnen al leek dat

niet eens het allerergste dat zou kunnen gebeuren. Ze
lachten haar uit. Voor mij legde ze

heel even dat ding op tafel en streek met een vinger
over de vorm. Haar oude hand haakte zich

links in de mijne en kneep lichtjes. Daarna borg zij het
kleinood en wachtte tot iemand haar haalde.