Met de keukenschaar knipte ik wortels van bomen alsof
het strengen haar waren die zacht en zwaar

op de keukenvloer vielen, misschien omdat ik angstig
keek naar de plukken grijs die eerder onder

zijn zachte borstel in de hoek van een kamer gedreven
werden en niet langer tegen mijn borsten tikten,

en ik droomde dat mijn hand stijf werd en dat ik om de
stam heen liep en zo moe werd van het werk

dat ik liggen ging en in slaap viel en later wakker tijgers
naar me toe zag sluipen, uitdagend traag,

en hoger klom en hoger en zij mij volgden en dat mijn
hand in een bek verdween en ik wilde roepen,

een heel zacht help klonk in mijn kamer, en de tong voelde
en de tanden en de huid, en ik de strepen

telde en toen de schaar open in de boom zette waarop alles
leegliep en met een licht gesis verdween.