De volgende morgen zijn de woorden op, proviand
dat te gretig onderweg is opgesnoept,

honger die blijft, kruimels die slordig blijven liggen,
niet genoeg voor ons allemaal. We

hijsen een rugzak om, stoppen een mes in onze laars,
drie centen in de handpalm en zoeken voorraad

voor de winter, morgen is het reeds min tien. Niemand
mag er mee, alleen wij zijn verantwoordelijk

voor nog een kind. In de middag zijn we terug, bloed
aan onze handen, kakelende geluiden vanuit

een kromme rug, in de avond geurt het naar soep, een
vers, brood dat rijst. De volgende dag

liggen de planken overvol, de schuurdeur open, zingen
wij, rijmt zorgen op morgen, tien op zien.