De dingen zijn zoals ze zijn, precies even groot als toen.
Hij paste in mijn hand, ik kon nog net een

huppeltje maken aan de stoeprand of met mijn ene vinger
los een kriebel binnen in de zijne. Ook

kleefde er snoep en ander zoetigheid, waarom los te laten,
geen rij voor de speeltoestellen, het gras

hoog tussen de roestige attributen. Opzij kijkend was hij
even groot. Ik lag zacht te wachten op

niemand, de sterren verbonden met potloodlijn, aan het
eind van de regenboog de emmer met goud.

Hij was iedereen. Vlinders op het topje van een neus, mieren
over een blote enkel, madeliefjes die met

een nagel in hun steel doorboord weer aan elkaar geregen
werden, zoemende bijen boven de heerlijkheden.