Er zijn opmerkingen over zomeravonden en de geur van
het weiland, aardbeien die ze stal die

vlekken maakten in haar handen, er zijn kreten over het
hete asfalt van zijn stad, haar schoenen klepperend

over de bruggen, ze is niet gebleven, zij zijn niet gebleven.
Er zijn versjes waarin hij terugkomt, hij

draait zich om en om, verwart zich in de dekens, haar, hen,
voelt hoe ze op hem klimt, wat heb je aan

liedjes als je ze niet kunt zingen, iemand neuriet, hij heeft
last van zoemende muggen die met

de warmte paren, ziet opeens het rood tussen haar vingers. Er
zijn vragen die hij zich nooit stelde, besluiten

die hij nooit nam, opeens is de tijd stil blijven staan op dat
ene beeld dat doorbrandt en ratelt, die hitte toen.