Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: zijn (pagina 1 van 33)

de zeurende dreiging

Het was deze man die ik vaak citeerde: groter dan groot en
licht naar me voorover buigend of precies in

die straal zon die door het gekleurd raam naar binnen viel.
Het was daar dat ik opnieuw thuiskwam, nu

door de voordeur, en men mij omsloot. Een driftige voorganger
hief zijn handen op, ik lag bijna op mijn

knieën maar toen ik mijn ogen dichtdeed, voorbereid op zijn
zegen of de klap waarmee, hoorde ik muziek,

zoet, kalm en later met dezelfde verwarrende wervelende toon
die in mij zat. Later zette hij zijn signatuur

op de voorste bladzijde, serieus en onder mijn kinderlijke naam
en bleef mij even aankijken. Ik was daar ook,

zou hij zeggen, en ik zag hoe je bewoog in de tijd en met je
mond open probeerde wijs te houden.

 

zoals de noodzaak zich steeds vaker aandient

De lucht leeg, de vogels zelden alleen maar in vallende
wolken zwart, purperen banen later, de straten

dreigend verlaten, de stem van de buurvrouw hoger dan
normaal en kinderlijk dreinend, de

berichten van de kleine omslachtig als altijd zoals zijn
reis naar huis in de avond, alle

alternatieven met zorgvuldigheid behandeld terwijl de
lange gewoon fietst en al de zeurende dreiging

van zich afschudt. Overzee is het rustig en voert de
allerkleinste mij door het scherm,

het smakkend geluid van liefde en voor altijd genoeg
hebben terwijl onder mij de woorden groeien

die – als die vogels – zich in groepen verzamelen, donker,
alvorens zij allen naar beneden storten.

omstanders willen ook

Al veel te lang wil ik u overtuigen van mijn kunnen, om de
oren slaan met mijn overzicht, een lange tong

uitsteken vervolgens naar uw achterblijven, uw gebrek aan
kennis, uw afwezigheid terwijl ik herhaal hoe

alles hier op een rijtje staat: ervaring en liefde, gevoel en
vermoeden, beest en paradijs, punt en

plaats in het alfabet. Ik doe natuurlijk alsof, u weet wel zeker,
het is allemaal spel en leedvermaak, koketteren

met tekortkoming en overschot, jongleren met bewoner en
bewaker en helemaal niet het einde van

de wereld. Veel te vaak is het stampen in een plas zonder
dat het water opspat, bovendien til ik

mijn rokken hoog, kabouterstappen makend met kniehoge
laarzen over u allen heen, mezelf achterlatend.

en zingt zelfs

Het zou zomaar genoeg kunnen zijn, zegt hij, en ik zeg
te snel dat ik het begrijp, nu moet hij het

uitleggen en mij vragen of het intuïtie is, dat van mij en
of het wel bij hem past dat besluit maar

ik denk alleen aan mezelf, ik ben terug op een plek die
ik lang geleden verliet en men heeft mij

opengedaan, naar binnengetrokken, gekust en voorzien
van kopjes thee met koekjes terwijl de

glazen wijn al op kamertemperatuur stonden en de kaas
al in plakjes bij het brood lag, gevoel, zeg ik,

en dat het helemaal niet erg is. Er is een balans tussen nu
en toen, hij kijkt me doordringend aan, ik

zal je er niet bij betrekken, belooft hij en dat het niet is
uit bitterheid of strijd. Hij lacht volop.

 

(voor A.)

tijdstippen die nergens aangegeven stonden

Ik wil de waarheid, zegt mevrouw V. tegen de man
naast haar en simpel stelt hij dat die er

niet is. Het gaat over de aanwezigheid van X. aan
haar tafel zoals het ging om Y. in

haar leven, P. in haar bed, C. in haar mantel en T.
in het kleine Japanse wagentje dat ze

tot voor kort nog reed. We lezen over veranderingen
in het stadsleven en ruiken de inhoud van

de houten tonnetjes waarop zij ooit zaten maar dit
ongemak is groter. Ze kijkt me aan en

zomaar ken ik het hele alfabet en alle plaatsen en alle
tijden waarop. Het is subjectief, zeg ik

tegen niemand in het bijzonder en misschien moet je
echt genoegen nemen met wat je hebt.

dat wenkt en zuigt en zingt

Iets van die paniek dringt tot onder de deurspleet door.
Godverdomme, schreeuwt de buurman en de

wind die kouder wordt, slaat de laatste kerstballen stuk.
Bijna al hangt zijn lijf aan de laatste traptree,

de nacht donkerder dan ooit. Van repen stof heb ik kussens
gemaakt die ik voor de deur leg. Zoiets

doe ik met woorden ook. Het ene gat vul ik met het andere,
ik neem iets terug van toen en gebruik iets

ouds voor nu, de vorm is plooibaar, zacht en uitermate
geschikt voor het liggen op

de stoffige vloeren. Het is een kwestie van dossiervorming,
zegt de politie over de onverlaat. Dat

beweer ik ook over mezelf, het leven, de toekomst, de tocht,
de ballen, de vloek, het zijn.

nog lang en gelukkig

Soms is het alleen zijn niet voldoende. De geluiden in het
hoofd gonzen als het verkeer beneden, stemmen

in het trappenhuis, vliegtuigen in de lucht, vogels die krassend
van de dakgoot rollen, piepjes die het schermpje

rechts naast me doen oplichten, een deurbel die een nieuwe
toon produceert en me schrikken laat, in

de verte nog het murmelend kind en zelfs de tikkende poten
van een kat zoals de vragen van een medestander,

de aandacht van een vriend, de nieuwe aflevering van een
serie, de kranten van twee weken terug, het

nooit afgesloten verlies van langer geleden, de ogen van mijn
mamma en het hard dichtklappen van een deur

ergens, toen, opnieuw en zijn warm, los vel dat bruin in het
omwoelde bed lag met daar bovenop zijn handen.

de maan naast de sterren

De heer B. draagt niet langer mijn naam in inkt op zijn hand,
hij roept haar bij binnenkomst, draait in pirouette

met zijn rollator om mij heen, zegt dat we elkaar hier allemaal
tutoyeren en hoe hij van vrouwen houdt, hij

noemt ze die middag allemaal even zoals we daar om hem heen
zitten en horen hoe andermaal iedereen nog

lang en gelukkig leeft of prins wordt dankzij een betovering of
door dappere strijd ijs- en vuurstorm doorklieft en

kasteel, schatten en haar wint, hij zou het voordoen als het nog
kon maar hij heeft ook overal pijn, zegt hij, als we

daarna alleen nog even praten, je zou het niet zeggen, ik weet
het, en daarna komen we alsnog om in oorlog en

kindergeschrei, door op hol geslagen paarden, foute beslissingen
en jarenlange eenzaamheid of mevrouw K.

 

(in de voorleesgroep  gisteren een Keltisch anoniem sprookje
over een zwart paard)

dan zien we elkaar in de lente weer

Het nieuwe jaar begint alleen met mezelf, ik zeg goedemorgen
tegen een lege wereld, ben naakt in haar, sta

verlegen bijna in haar stilte. Jaren hiervoor schreef ik over het
niemandsland, bye bye blackbird en

intermezzo’s, rolden er lijken uit de kast en kinderen uit het
bed, dreven er oliebollen in de pan en boten

zuidwaarts en zwaaiden er witte vlaggen omdat ik vrede wilde,
dit jaar wacht ik. Ik herinner me

poedersuiker rond zijn neus, een volle koelkast, telefoontjes in
de nacht, het beamen van een gelukkig leven. Ik

herinner me onverstaanbare toespelingen op het jaar dat zou
komen, alles zou anders zijn maar

ik wil haar graag hetzelfde, als het kind dat ik hoog til nu en
de maan herkent en het licht achter haar muren.

de voorraden in de schuur

De wereld nog veilig met vlagen woedend zwart die langzaam
uitscheuren in grijze banen, huizen nog

staande gehouden door wapperende kerstlichtjes, dromende
tieners over nog niet afgestoken vuurpijlen, op

de lege straat de afgedankte kerstbomen, de uitgerukte engeltjes
in de doos op zolder reeds, een vogel die

nog zingt alsof het nieuwe jaar alvast begonnen is lang voor het
land rood kleurt, stinkend en hij en ik, brommend en

toeterend, langs het stuwende water waarin eenden, meent hij,
op haastige wielen die draaien met de stappen die ik

maak en daarachter de ratelende mamma die ik nog even hoog
til op het lege stationsplein, de klok die

stilstaat, dan zien we elkaar in de lente weer, niet omkijken maar
met de handen diep in de zakken de tegels tellen tot thuis.

 

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑