Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: vriendschap (pagina 1 van 4)

en zingt zelfs

Het zou zomaar genoeg kunnen zijn, zegt hij, en ik zeg
te snel dat ik het begrijp, nu moet hij het

uitleggen en mij vragen of het intuïtie is, dat van mij en
of het wel bij hem past dat besluit maar

ik denk alleen aan mezelf, ik ben terug op een plek die
ik lang geleden verliet en men heeft mij

opengedaan, naar binnengetrokken, gekust en voorzien
van kopjes thee met koekjes terwijl de

glazen wijn al op kamertemperatuur stonden en de kaas
al in plakjes bij het brood lag, gevoel, zeg ik,

en dat het helemaal niet erg is. Er is een balans tussen nu
en toen, hij kijkt me doordringend aan, ik

zal je er niet bij betrekken, belooft hij en dat het niet is
uit bitterheid of strijd. Hij lacht volop.

 

(voor A.)

het zijn de vrouwen die

Naast de enorme romige schotels vol gesmolten kaas en
en aangekoekte suiker, maakte ze mij

evenveel brieven als F. deed, want altijd als hij schreef,
berichtte ik haar en gaf zij haar mening en

adviezen. Dat deed ze ook bij X., de kabouter, de fotograaf
ooit opgenomen in de huishouding van het

hof of bij R. die niet de pen hanteerde maar in de telefoon-
cel stond voor de Dam. Tevens deelden we in

slobberkous en verwassen hemd twee gymoefeningen en
drie langspeelplaten, een jurkje met uitstaande

rok, roze, een geheim en vreselijk veel honger op tijdstippen
die nergens aangegeven stonden. Morgen

herhalen we alles behalve het strekken en rekken, rispen we
de liefjes op en likken de schalen leeg.

(voor L.)

de vragen van een medestander

Boven de gebakken kabeljauw die zwemt in een badje van
boter en fluweelzacht de aardappelpuree door

de mond laat glijden, vindt ze dat ik nu maar eens dit maal
moet beschrijven of misschien de

ober met zijn twinkelende vragen en perfecte aandacht en
niet weer het ziekmakend gemis dat zo

slecht bij onze witte wijn past en de kerstversiering die nog
flonkert vanaf de wenteltrap want natuurlijk

begrijpt ze het en herkent ze het maar ze viert het leven en
ook al is dat misschien alleen vandaag, de

wangen rood en de stem fluisterend, ik ben er nu en een
schrijnend gedicht kan ze morgen moeilijk

leuk vinden, toetje? vraagt ze en daar is de ober al met gul
versierde bordjes die maar een beetje wiebelen.

 

(voor T.)

de maan naast de sterren

De heer B. draagt niet langer mijn naam in inkt op zijn hand,
hij roept haar bij binnenkomst, draait in pirouette

met zijn rollator om mij heen, zegt dat we elkaar hier allemaal
tutoyeren en hoe hij van vrouwen houdt, hij

noemt ze die middag allemaal even zoals we daar om hem heen
zitten en horen hoe andermaal iedereen nog

lang en gelukkig leeft of prins wordt dankzij een betovering of
door dappere strijd ijs- en vuurstorm doorklieft en

kasteel, schatten en haar wint, hij zou het voordoen als het nog
kon maar hij heeft ook overal pijn, zegt hij, als we

daarna alleen nog even praten, je zou het niet zeggen, ik weet
het, en daarna komen we alsnog om in oorlog en

kindergeschrei, door op hol geslagen paarden, foute beslissingen
en jarenlange eenzaamheid of mevrouw K.

 

(in de voorleesgroep  gisteren een Keltisch anoniem sprookje
over een zwart paard)

buiten bereik van de Kerstman

Zoals de lucht rood kleurt en verdwijnt in strepen voor
mij, zo tikt hij tegen zijn rood schilderij waaronder

het kruisje van fluweel, een sobere Kerst tenslotte, en
zegt dat het moest, het zat in zijn hoofd en

het was misschien een zware tekst maar hij hield van me
en dus ging hij in mijn werkkamer zitten met

uitzicht op dezelfde lucht en leende mijn pen en scheurde
de kleur groen van het blokje en legde haar

daarna over de tafel zodat ik haar zou vinden en later in
mijn agenda kon plakken en haar zou herlezen,

de bij voorbaat gekende tekst en vrede daaromheen omdat
het om genade ging en het daar de tijd voor

is, dat misschien, en omdat hij dezelfde aantekening maakt
voor zichzelf en haar zingt op de fiets terug naar huis

onder die lucht en langzaam oplossend terwijl het rood nog
nagloeit en zich mengt met al de verf uit zijn penselen.

(voor schilder D.)

er was iets met de kleur roze

Dit keer gaat het niet over ontbrekend rijm of missend
begrip, dit keer hoef ik niets uit te leggen of

te verantwoorden, maar ook nu spreekt hij me tegen. Hij
benadrukt de kracht van het woord terwijl ik

wil ontkennen, ik ben te snel, zeg ik en te makkelijk en
misschien bedoel ik wel iets heel anders.

Eigenlijk wil ik er vanaf: van dat woord en die betekenis
omdat de gevolgen me niet aanstaan en zeker

niet dat dubbelvouwen opnieuw op mijn tafel terwijl ik
de randen dan nog vasthoud, dat likken aan

mijn inkt, dat peuteren aan mijn ezelsoren, dat tussen
mijn regels door, maar opeens kent hij me

lang genoeg om te weten dat mijn hand zich vanzelf weer
bekommert om die inhoud van mij.

het

Vrouwen vliegen alle kanten op, er lopen er een
aantal over een dijk, er fietsen er drie,

vier door de hoofdstad, er borrelen een paar in een
Italiaans restaurant en ik verzamel nog

kinderen, van werken komt niets. Ik bezoek een
toilet met een spiegeldeur en bewonder

mijn hooggehakte wreef en hoe de broekspijp net
op goede hoogte valt, ik wil haar

op de foto maar zoek niet naar mijn camera en er
was iets met de kleur roze. Misschien

omdat de bezoeker zijn wijn meehad en in het gesprek
vond dat ik het gewoon kon doen: die

afspraak vergeten, uitslapen, bezwijken onder zijn
druk en niet hardop te schreeuwen ’s nachts.

zoals ze vroeger op elk feest aanwezig waren

 

Geduldig zit hij al op me te wachten, schuilend ook
voor de geluiden van het huis, opgekruld

boven zijn omgekeerde rollator en met het hoofd in
zijn handen waar, op de zijkant van de

linker duim, mijn naam gekrast staat alsof hij zich
met een gebaar heeft getatoeëerd dat ons

voorgoed aan elkaar bindt en deze ruimte, dit handelen
voor altijd koppelt aan mijn zoete stem en

de gure novemberdag waarop Sinterklaas schipbreuk
lijdt, al zeggen de pakjes in de grote zaal

iets anders. Mijn buurvrouw fluistert me later toe dat
ze leeg zijn hoor, maar hij beweert iets

anders. Wat is je geheugen toch goed, zegt hij, omdat
ik zijn verhaal nog ken. De inkt is droog, de

perkamenten huid vouwt zich om de mijne. Er zijn
zoveel vrouwennamen, verontschuldigt hij zich.

een handigheid

Dat je bijna nog verwacht dat hij een grap met je uithaalt,
het deksel van de kist omhoog zal duwen en

zingend uit zal stappen, de verf op het hout nog nat en
stippen die strepen worden, ‘dots’ die dansend

van knop naar handvat lopen met eenzelfde enthousiasme
als waarmee hij leefde en al ons mensen

in en door elkaar liet lopen, kussend, handen strelend, tot
verzoening en vrede en creatie bereid, steeds

maar weer het hoofd in de wolken en hoog op de schouders
elkaar dragend tot daar waar bloemen in het

felste geel tegen een immens groen grasveld afsteken. Hij
zou de eerste zijn die ging plukken. Dat je wist

dat hij glimlachend naar je keek terwijl je op je handen
ging staan en je hoofd verloor of ook je hart.

 

een soort tegemoetkoming

Het enige dat ik deed was over hem dromen, ik wist niet
dat hij al echt onderweg was, wilde ik

hem voorlezen als hij er was? Waarom gaan de dagen zo
snel en waarom had ik altijd een bijna

hekel aan het teveel aan woorden tussen ons, was het alsof
ik betrapt werd in mijn stoer gedrag omdat hij

wel wist dat er een klein meisje school in al die beweging
en wilde ik dat niet weten. Zo werd het liefste

dat hij zei, behalve dat van die ‘great poet’ waarmee hij me
introduceerde, dat die ander echt

van me hield, een vrijgeleide voor alles dat nog zou volgen,
alles was mogelijk, tot

de sterren en weer terug, hij dan en ik het vers zingend op
de wijs van wat vrienden uit een vorig leven.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑