Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: schrijven (pagina 1 van 48)

de handen doen wat ze kunnen

In het verslag van mijn leven, dat minutieus verslaan van dat
wat niet eens de feiten zijn maar eigen waarnemingen,

verzinsels en achterhaalde drogredenen, is er soms een lege
bladzijde die kleeft aan de overvolle van daarvoor,

per ongeluk met natte vinger overgeslagen, soms ook een
pagina met slordig kruis dat diep gekerfd tot

op de twintig vellen daarna zichtbaar is als ook een wit veld
waarin slechts één woord als koppige maar

gekleurde bloem zich staande probeert te houden. Er is een
alfabet aan letters te midden van afwezige lijnen,

een familie die zich vermaakt met herhaling en zingeving,
er zijn minnaars die fluitend vanuit het niets

neerstorten op haar kreukels, dieren die zich eerst nog schuil
houden en dan allemaal tegelijk eten willen, vage

vegen vanuit haar handen, ezelsoren op de bekende plekken,
sleetse pogingen de waarheid te vinden.

bloemenschikken in een vaas

Er is een dichter die zegt ‘laat me eens naar je kijken’
alsof ik een afspraakje ben zonder naam, een

eersteling in een rij mogelijke kandidaten voor een
droomeiland in de zon, een oplossing,

het probleem onvergeeflijk, een bijzonder exemplaar
vervolgens waaraan mijn moeder het woord

‘apart’ koppelt zoals ze dat bij elk gerecht en elke
creatie deed, ik draai nog net niet op

mijn tenen rond maar ik lach wel zoals men van mij
verlangt. ‘Hmmm’ zegt de dichter, ‘daar

ben je dan’ en opnieuw is het alsof ik in het schap lag
en afgeprijsd mijn waarde bewijs, alleen

voor mannen misschien, in een ander shirtje wellicht,
tegen de ochtend en voordat ik buk.

normale routes

Wie geeft wie vrijaf? Geeft het hoofd instructies aan
de benen, het hart aan de rest van het lijf,

beweegt zij automatisch en is het nadenken slechts
formaliteit, een uitgelopen droom, is er

overleg waarna zij een kwartier langer blijft liggen en
het idee heeft uit te slapen, wie is die

strenge bewaker van ritme en regelmaat, de onzichtbare
minnaar in haar bed, de baas van haar ruimten,

wie voert de haan zodat hij kraait? Draaiend denkt zij
aan de wereld daarbuiten, op haar

buik aan de eerste zin, misschien hoe hij opstond en
haar alleen liet, de overige regels immers

bleven nog een moment in de warmte liggen, iemand
floot, haar voeten kantelden, de vloer werd bereikt.

een bekende beginnersfout

De kleine brengt mij mijn eerste tafel terug: een korte, ooit
bijna witgeverfd grenen exemplaar waarvan de

zilveren ladeknop nog altijd een gelukspoppetje draagt, de
poten de nagels van een kat, het blad sporen

van een veertig jaar. Een aankoop voor mijn eerste kamer,
een weloverwogen besluit uit mijn jongvolwassen

zijn, precies passend tussen de hanenbalken van een ruimte
die maar net iets groter was en waarop ik,

zittend op het blad, met bungelende benen, in het straatje
onder mij de mensen telde en beschreef. Iets

dat natuurlijk zoveel kleiner lijkt nu: naar de wereld turend
alsof je haar zou begrijpen en

achteraf juist groter bleek: de afstand tussen mij en haar het
materiaal voor alle volgende jaren en plaatsen.

 


Alkmaar, 1979

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

een hechte verbintenis

Er zijn twee onderwerpen, meent hij, waarover ik
bij uitstek kan schrijven in plaats van

langdurig en bij herhaling ze te benoemen in een
gesprek en het zijn toevallig die thema’s

die hij liever vermijdt, of nee, hij gaat ze niet uit
de weg, ze bestaan heus, maar hij maakt er

iets anders van, eigenlijk hetzelfde als ik maar dan
niet met woorden. Als ik nu hier kijk naar

het beeldmateriaal, en hij daar blijft in mijn poëzie,
dan is dat een nieuwe gesprekskeuze, een

andere invalshoek, jaja. Ik vat het een beetje grimmig
samen, veel binnenrijm maar verder een

uitgezakt broddelwerkje, nou ja, zwijgt hij, je moet
natuurlijk wel je best doen hè

om haar te herkennen  

 

12 jaar weblog!
vanaf 8 april 2006 dagelijks

werkend op de akker

Overbodigheden bij die beelden haalt hij weg, rafels
zijn het, afleiding en onzin. Uren schuift hij

zijn vingers langs vissen in het water, zilverachtige
sporen, bloemen in een perkje, een fietser

dwars door de stilte, hij zet de camera opnieuw op
zijn onderwerp scherp. Het lint van

het leven, de ronde om de kerk, haar marmeren dijen.
In een klein doosje verzamelt hij de feiten

vervolgens, als ik nu maar dat doosje zorgvuldig bewaar,
toch zijn zomaar al die gekozen fragmenten

net zo teveel als al die woorden die ik in een papieren
pakje stop. Er zou geluid bij moeten

zitten, hartverscheurend, krijsend, of een jurkje dat mij
helemaal bedekt en een haan op de toren.

de ergste voorjaarstorm

Ze knikken. Ach jawel, ze zien iets aan zijn ogen, bruin,
stelt mevrouw V en meteen situeert ze hem in

warme berglanden en een strooien hoed op, werkend op
de akker, nee, donker, zegt de heer Z. hoewel

ook hij doorgaat met temperaturen boven normaal en het
zware leven van een landbouwer, alleen

mevrouw T., broos en zwijgend vaak tegenover me, werpt
een glanzende blik, legt haar handen voor zich

op tafel en strijkt over boek en ogen en en passant het crème
overhemd en de korte broek eronder, en zegt

‘zo was het dus’ en dat we dat allemaal wel eens hebben,
dat gevoel dat niets ertoe doet en alles verkeerd,

dat wij dat slechts niet opgeschreven hadden en zo prettig
hadden voorgedragen zoals ik nu, toch?

beide personen kennen wij

De uitgever vraagt te kijken naar het herhaaldelijk gebruik
van bepaalde woordjes en het is bijna alsof

opnieuw de lief van koosnaampjes moet worden voorzien,
de vloer moet worden aangeveegd, de

muisjes onder de kast hun kaas lieten staan en de mierentrek,
langs zijn spoorlijn op de vensterbank, voor

een achtergelaten koffer om moet buigen, ook moet ik nog
wat boodschappen doen, mag ik niet

haren en hagelslag op de grond werpen en dienen mijn ogen
niet helemaal naar boven te rollen maar hem

aan te kijken daarbij niet knipperend, flirtend of bezwerend,
slechts in overeenstemming met de tekst waarin

mijn lijf over de vloer zwiept met een ijver die de ergste
voorjaarstorm benadert en dan in december.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑