Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: ouders (pagina 1 van 2)

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

aangevuld met alles van haar

Komen er eerst nog rozen uit de kopieermachine, droge
harde die knappen bij het vallen op het bureau,

later zijn het vlammen en knallen en stort het hele kantoor
in terwijl ik urenlijsten vermenigvuldig die

ieder nog invullen moet. Er zijn twee vrouwen die op de
schoot van een collega genomen worden,

er zijn een heleboel nieuwkomers die nog ingewerkt moeten
en mijn vader bezwijkt op straat waar mijn

moeder zich weer vreselijk aan ergert. Het zijn allemaal
fragmenten van een vorig werkend leven,

de opwinding hoe uren vol te maken en te verantwoorden
en een grote mate van collegialiteit blijkbaar, plus

een licht gemis aan mijn kibbelende ouders, terwijl de
buren op straat wijzen naar het verkoolde restant.

omkijkend waar of dan toch het gezelschap blijft

Iedereen doet mee, zelfs de knuffels komen tot leven, springen
in mijn fietsmand en rijden mee, stappen uit als hij

dat zegt. Alle kinderen gedragen zich naar zijn wensen, goed,
ze mopperen onderhands en begrijpen niets van

de instructies, dragen kleding in andere kleuren, echte dieren,
kartonnen dozen met planten, praten

nauwelijks, vragen aan mij of dit wel zo moet, mijn nog levende
ouders zitten op klapstoeltjes in

een grasveld, er loopt een spin langs een knuffel die ik water geef,
hij belt voortdurend wijzigingen door, er is een

assistente die ik niet ken en zelf, zegt hij, mag ik niet te veel opvallen.
Het zijn beelden waar ik doodmoe uit opsta,

partijen die allemaal gesust en aangespoord moeten worden, niet
echte situaties die hij vergeefs regisseert.

zijn medestander

Er zijn geen impertinente vragen, ik geef alleen geen
antwoord dan in het schrijven. Er zijn

geen bewijzen, alleen directe aanleidingen tussen mijn
regels. Er zijn alleen maar daar

vermoedens. Het gekonkel is tussen de lezers, mijn
geweten en mijn gedrag, het is immers aan

mij of ik op sta of niet. Ik hurk nog altijd voor zijn graf,
in haast het slaan van het kruis, het vegen van

de bloembladeren, het knikje naar de aarde. Ik praat in
rust tegen haar, zon schijnt, zeg ik of hoe

mijn gezin zich uitbreidt of dat het dan eindelijk toch
gelukt is, dit schrijven, hij

luistert mee, maakt een grapje, verontschuldigt zich en
toch, zegt hij, is alles altijd voor hem geweest.

andere markeringen in tijd  

Hoewel het dagboek verstopt lag in een achterste
lade van het bureau en het sleuteltje in

een bloemenvaasje, vond mijn altijd ijverige mamma
haar toch en handelde vervolgens naar

het gelezene. Ze maakte ruzie met mijn vader, haar
behuild gezicht triomfantelijk, en deed

koel tegen mij alsof ik door het schrijven van zijn
voorkeuren zijn medestander was. Je

kunt je afvragen of dat niet elke keer gebeurt: stiekem
lezen en vervolgens de schrijver aanklagen,

woorden verstoppen maar willen dat ze gevonden een
gehoord effect hebben, triomf voelen

over de volgorde van tijd en gebeurtenis die door een
simpele sleutel openbaar worden.

wat wil je dat dit gedicht doet

Ik heb niets. Geen herenkostuum waarvan de stropdas mij
mijn nek doet breken, geen hoge mannenschoen

waarop ik sneller kan, geen tweede naam die ik met schroom
nog gebruik maar eigenlijk als

eerste wil, geen onafgebroken ijver dat mij tot laat op houdt,
ik heb niet meer de hoge witte wanden waartussen

duistere praktijken als dekmantel fungeerden voor mijn
eenzaamheid en niet langer de bedelende

mamma, niet de pose meer waarin ik wachtte omdat hij zo
dadelijk zou komen, geen dampende stallen

waarbinnen ik het vee moest voeren en dus geen mond waarin
mijn hand verdwijnt. Ik heb mijn vader begraven

en dus verlaten of misschien heeft hij dat zodat ik nu alles
heb waarover ik moet schrijven maar niet doe.

de kersttruien uit het overzeese land

Tien dagen lang struikel ik hier over luier en rugzak, wagen en
verongelukt autootje bij de stoelpoot, beer en

nijlpaard, tuimelbekertjes met inhoud, heel kleine gympies en
dan midden in de kamer of loop ik op tenen

mijn ritme verschuivend en denk op de harde slaapbank op
zolder niet aan muizen, lijken of

andere monsters die in mijn neus knijpen maar alleen aan hem
en hoe het zover gekomen is dat ik zoals mijn

moeder op de grond tegen de verwarming hurk, op gelijke hoogte
communiceer, bij elke hoek uitleg gevend aan de

attributen. Mijn vader praatte met volle mond en stoof als ervaren
coureur de vrijheid tegemoet en nam

alle wagens in één keer, al was het moeilijk opstaan nadien en
een beetje verontrustend dat niets heel bleef.

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

alsof hij zich

Ik zie mijn moeder leunen tegen de wand terwijl ze
in de pannen roert, mijn vader achter

haar langs het tafelkleed en de borden uit de kast
nemen, ik zie hoe wij nooit meer

rond de tafel zitten omdat wij allen ontbreken, ik
laat haar de lepel naar haar mond brengen

en proeven, hij klettert met het bestek en schuift
alles naar elkaar, zwijgend eten ze

over de helft van hun verblijf, zij ergert zich aan
zijn gewoonten en hij vraagt zich af of

het aan hem ligt dat ze niets zegt en ik zie hoe zij
na zit en nog wat peuzelt en denkt

terwijl hij de halve afwas al gedaan heeft en zich
terugtrekt, de wereld als altijd verdeeld.

meer kan ik niet dragen

Om even terug te zijn in het leer van hun banken, het
pluche van hun kleden, het donkere hout

van de zorgvuldig gekozen entourage, staketsels in een
warme kamer waar zij met gevulde schalen

rondliep en zelden zitten ging, zijn boeken en kranten
op het mosgroene leer van zijn bureau, haar

breiwerk in de rieten manden onder de keurig ingedeelde
schoorsteenmantel, elk kind in evenredige

getale vertegenwoordigd, om terug te zijn bij de koele
tegels van de keuken waartegen mijn wang

in onweersbuien die heviger dan elders koeien en wilgen
raakten en dan vooral in hun geruststelling:

daar waar zij de stand van de maan hanteerde en hij zijn
perfect nonchalance groeide ik groter.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑