Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: ouders

wat wil je dat dit gedicht doet

Ik heb niets. Geen herenkostuum waarvan de stropdas mij
mijn nek doet breken, geen hoge mannenschoen

waarop ik sneller kan, geen tweede naam die ik met schroom
nog gebruik maar eigenlijk als

eerste wil, geen onafgebroken ijver dat mij tot laat op houdt,
ik heb niet meer de hoge witte wanden waartussen

duistere praktijken als dekmantel fungeerden voor mijn
eenzaamheid en niet langer de bedelende

mamma, niet de pose meer waarin ik wachtte omdat hij zo
dadelijk zou komen, geen dampende stallen

waarbinnen ik het vee moest voeren en dus geen mond waarin
mijn hand verdwijnt. Ik heb mijn vader begraven

en dus verlaten of misschien heeft hij dat zodat ik nu alles
heb waarover ik moet schrijven maar niet doe.

de kersttruien uit het overzeese land

Tien dagen lang struikel ik hier over luier en rugzak, wagen en
verongelukt autootje bij de stoelpoot, beer en

nijlpaard, tuimelbekertjes met inhoud, heel kleine gympies en
dan midden in de kamer of loop ik op tenen

mijn ritme verschuivend en denk op de harde slaapbank op
zolder niet aan muizen, lijken of

andere monsters die in mijn neus knijpen maar alleen aan hem
en hoe het zover gekomen is dat ik zoals mijn

moeder op de grond tegen de verwarming hurk, op gelijke hoogte
communiceer, bij elke hoek uitleg gevend aan de

attributen. Mijn vader praatte met volle mond en stoof als ervaren
coureur de vrijheid tegemoet en nam

alle wagens in één keer, al was het moeilijk opstaan nadien en
een beetje verontrustend dat niets heel bleef.

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

alsof hij zich

Ik zie mijn moeder leunen tegen de wand terwijl ze
in de pannen roert, mijn vader achter

haar langs het tafelkleed en de borden uit de kast
nemen, ik zie hoe wij nooit meer

rond de tafel zitten omdat wij allen ontbreken, ik
laat haar de lepel naar haar mond brengen

en proeven, hij klettert met het bestek en schuift
alles naar elkaar, zwijgend eten ze

over de helft van hun verblijf, zij ergert zich aan
zijn gewoonten en hij vraagt zich af of

het aan hem ligt dat ze niets zegt en ik zie hoe zij
na zit en nog wat peuzelt en denkt

terwijl hij de halve afwas al gedaan heeft en zich
terugtrekt, de wereld als altijd verdeeld.

meer kan ik niet dragen

Om even terug te zijn in het leer van hun banken, het
pluche van hun kleden, het donkere hout

van de zorgvuldig gekozen entourage, staketsels in een
warme kamer waar zij met gevulde schalen

rondliep en zelden zitten ging, zijn boeken en kranten
op het mosgroene leer van zijn bureau, haar

breiwerk in de rieten manden onder de keurig ingedeelde
schoorsteenmantel, elk kind in evenredige

getale vertegenwoordigd, om terug te zijn bij de koele
tegels van de keuken waartegen mijn wang

in onweersbuien die heviger dan elders koeien en wilgen
raakten en dan vooral in hun geruststelling:

daar waar zij de stand van de maan hanteerde en hij zijn
perfect nonchalance groeide ik groter.

hoe blond deze was

Het lint strak opgerold. Eerst als ik haar pak en zij zich door
mijn vingers afspoelt, de uiteinden tegen mijn benen,

komt het dorp terug en mijn rust, de zangerige geluiden uit
de achterdeuren, de wekelijkse vis onder

de kerktoren, de overige beesten in de struiken, de mannen
op de daken, wijdbeens, de hamergeluiden van

hun ijver, vakanties van daarvoor, mijn vader door de muren
en mijn mamma op haar knieën in het gras, dan

herinner ik mij het gevoel alsof het voor het laatst was en
het een bedoeling had, mijn verblijf noodzaak

tot het afronden van een toevalligheid, de cirkel rond, het
spelen gedaan, de schat gedeeld, de wegen

gelopen tot hier. Opnieuw moet ik beschrijven blijkbaar hoe
kleur en versierselen opgeborgen horen voor later.

luider nu

Ik heb soms de stem in mijn hoofd die zegt ‘Then we
are decided’ terwijl ik toch echt niet

onderhandeld heb over welke prijs welk besluit tot
gevolg had zoals ik ook soms de kraaiende

haan hoor, een ander lied op een andere plaats in de
film Jesus Christ Superstar. De beslistheid

die met de eenzaamheid gepaard gaat. Ik sta te wachten
bij de ingang van de filmzaal en draag

een witte spijkerbroek en lichtblauw pluizig vestje, veel
ouder dan ik werkelijk ben, de Volvo van

mijn vader mag nog door de winkelstraat, hij is te laat.
Ik zing de teksten al voordat ik ze ken.

Valsheid in geschrifte, zegt mijn moeder, en dat jong
zijn nu juist betekent dat je van niets weet.

 

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑