Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (pagina 1 van 19)

de zeurende dreiging

Het was deze man die ik vaak citeerde: groter dan groot en
licht naar me voorover buigend of precies in

die straal zon die door het gekleurd raam naar binnen viel.
Het was daar dat ik opnieuw thuiskwam, nu

door de voordeur, en men mij omsloot. Een driftige voorganger
hief zijn handen op, ik lag bijna op mijn

knieën maar toen ik mijn ogen dichtdeed, voorbereid op zijn
zegen of de klap waarmee, hoorde ik muziek,

zoet, kalm en later met dezelfde verwarrende wervelende toon
die in mij zat. Later zette hij zijn signatuur

op de voorste bladzijde, serieus en onder mijn kinderlijke naam
en bleef mij even aankijken. Ik was daar ook,

zou hij zeggen, en ik zag hoe je bewoog in de tijd en met je
mond open probeerde wijs te houden.

 

zoals de noodzaak zich steeds vaker aandient

De lucht leeg, de vogels zelden alleen maar in vallende
wolken zwart, purperen banen later, de straten

dreigend verlaten, de stem van de buurvrouw hoger dan
normaal en kinderlijk dreinend, de

berichten van de kleine omslachtig als altijd zoals zijn
reis naar huis in de avond, alle

alternatieven met zorgvuldigheid behandeld terwijl de
lange gewoon fietst en al de zeurende dreiging

van zich afschudt. Overzee is het rustig en voert de
allerkleinste mij door het scherm,

het smakkend geluid van liefde en voor altijd genoeg
hebben terwijl onder mij de woorden groeien

die – als die vogels – zich in groepen verzamelen, donker,
alvorens zij allen naar beneden storten.

altijd links van me

Voor het ‘verloren lopen’ of ‘uit de tijd vallen’ zoals de auteur
dat noemt voor verdwalen of

sterven, moeten we toch met dezelfde eenvoud en helderheid
ons leven hebben kunnen beschrijven, de

opdracht wordt steeds duidelijker zoals de noodzaak zich steeds
vaker aandient maar ook het uitstel, het

schuifelen over het ingezaaide grasland, het volgen van de vogels
die laag over scheren en vanuit de geulen het

zaad oppikken, het turen in de verte waar de katten roven en met
de buit thuis zullen komen, nog even de

damp boven het land die de dorpen van elkaar scheidt, de torens
van de kerken eenzaam, scheephoorns tegen

de haven. Er moet altijd een oever zijn, schrijft hij, altijd een
overkant zichtbaar, anders blijf ik nergens.

(naar aanleiding van het werk van Rinus Spruit)

de voorraden in de schuur

De wereld nog veilig met vlagen woedend zwart die langzaam
uitscheuren in grijze banen, huizen nog

staande gehouden door wapperende kerstlichtjes, dromende
tieners over nog niet afgestoken vuurpijlen, op

de lege straat de afgedankte kerstbomen, de uitgerukte engeltjes
in de doos op zolder reeds, een vogel die

nog zingt alsof het nieuwe jaar alvast begonnen is lang voor het
land rood kleurt, stinkend en hij en ik, brommend en

toeterend, langs het stuwende water waarin eenden, meent hij,
op haastige wielen die draaien met de stappen die ik

maak en daarachter de ratelende mamma die ik nog even hoog
til op het lege stationsplein, de klok die

stilstaat, dan zien we elkaar in de lente weer, niet omkijken maar
met de handen diep in de zakken de tegels tellen tot thuis.

 

buiten bereik van de Kerstman

Zoals de lucht rood kleurt en verdwijnt in strepen voor
mij, zo tikt hij tegen zijn rood schilderij waaronder

het kruisje van fluweel, een sobere Kerst tenslotte, en
zegt dat het moest, het zat in zijn hoofd en

het was misschien een zware tekst maar hij hield van me
en dus ging hij in mijn werkkamer zitten met

uitzicht op dezelfde lucht en leende mijn pen en scheurde
de kleur groen van het blokje en legde haar

daarna over de tafel zodat ik haar zou vinden en later in
mijn agenda kon plakken en haar zou herlezen,

de bij voorbaat gekende tekst en vrede daaromheen omdat
het om genade ging en het daar de tijd voor

is, dat misschien, en omdat hij dezelfde aantekening maakt
voor zichzelf en haar zingt op de fiets terug naar huis

onder die lucht en langzaam oplossend terwijl het rood nog
nagloeit en zich mengt met al de verf uit zijn penselen.

(voor schilder D.)

de oude bezweringen

Alsof hij haast heeft, die fase al als voorbij ziet, en zelfs
al weet dat het vertederend was, zo zegt hij

‘ooo’ en ‘baby’ als hij naar een foto van zichzelf wijst om
dan weer door te gaan met de vondst van

die dag: aapje, eendje, toodo voor het monster Gruffulo en
iets voor een olifant terwijl ik zo vreselijk traag

mezelf wijs op al die andere voorbije zaken, daar keken we
beslist vrolijker, ons vel nog strakker, het

uitzicht zeker aantrekkelijker, de lippen nog vol en zojuist
gekust, een huppeltje in ons lopen, we zijn

nooit af op de witte strepen en in de lichtflits vallen alle
beesten nooit tegelijk aan en de snelheid die

we aanwenden zullen we nooit kwijtraken noch de juiste
naam waarmee hij ons aanwees ooit.

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

in al die beweging

Mevrouw K. huilt tegenover mij. Vanuit haar enorm
en zachtroze lijf vloeit ze over zonder

geluid te maken. Ze wordt meisje genoemd en er komt
een ‘ach’ bij en ‘toch’, zo had ik wel

willen heten en getroost willen worden en zomaar willen
snikken om dat alles. Iedereen krijgt

uiteindelijk gelijk, ze zijn de laatsten van hun families en
nooit hadden ze gerekend op

de eenzaamheid hier en hoe niets er nog toe deed. Dat je
bijvoorbeeld de hele wereld over trok,

goed geld had gemaakt en een huis had gehad waarin je
tien auto’s kon stallen maar nu binnen

vierkante centimeters niet kon kiezen welk eten je wilde
en of je de heer K. heette of misschien Jan X.

in gereedheid

Goed, koffie, zegt hij en misschien voor een eerste
keer de trappen bestijgen die tussen ons in

staan, voor hem is dat een soort afdalen naar tussen
de kruinen van de bomen want zijn

verblijf is hemels en zwevend al, voor mij een soort
tegemoetkoming in zijn reis naar de

eeuwigheid, neem een jas mee voor de kou, o nee,
honey, daar doe ik juist alles uit, ik pel de

lagen waarmee ik me onthul, er is niets meer dat ik
verberg, heb ik ooit iets voor je verborgen,

je moet dit vertalen voor mij, ik proef nu alleen de
klank, proef jij nu nog maar, en zo

zou het gaan, hij is de oudste tenslotte, hij weet van
vliegen zonder te landen, ik heb het nakijken.

verontschuldigend

Lang bleef ik denken dat het gewoon kon: ik zou op
het ronde raampje kloppen en wachten tot

zijn hoofd langzaam boven kwam, de deur van het
vooronder ontsloten, dan de vier dansende

stappen, de verende krullen, de grijns, de kajuitdeur
en het mij naar binnen trekken waarbij

het lijf tuimelend in touw en olie, voorraden en water
bijna, fietsen, boeken, lampen, stuur

en kapitein, opeens weer zou weten hoe het leven
werkt, terug zou grijnzen, geen woord zou

uiten dan het likken aan zijn hals, het bijten in zijn nek,
het scheuren aan zijn overhemd, het zoeken

van zijn mond, terugvallend in het ruim van een schip
dat varen kon naar het begin van de rivier.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑