Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (pagina 1 van 18)

verontschuldigend

Lang bleef ik denken dat het gewoon kon: ik zou op
het ronde raampje kloppen en wachten tot

zijn hoofd langzaam boven kwam, de deur van het
vooronder ontsloten, dan de vier dansende

stappen, de verende krullen, de grijns, de kajuitdeur
en het mij naar binnen trekken waarbij

het lijf tuimelend in touw en olie, voorraden en water
bijna, fietsen, boeken, lampen, stuur

en kapitein, opeens weer zou weten hoe het leven
werkt, terug zou grijnzen, geen woord zou

uiten dan het likken aan zijn hals, het bijten in zijn nek,
het scheuren aan zijn overhemd, het zoeken

van zijn mond, terugvallend in het ruim van een schip
dat varen kon naar het begin van de rivier.

het verschil

Als ik nog eens de kans krijg, zegt de vrouw naast me op
geheime fluistertoon, moet ik beslist de

zonsondergang in de woestijn bekijken. Ik zeg dat ik een
huismus ben en ik lach wat verontschuldigend.

Ze schuift wat ongemakkelijk heen en weer, ze is nog niet
gewend aan de beslotenheid van het tehuis, de

regels, het feit dat haar man en camper weg zijn, haar huis
verkocht is, haar kinderen, zoals ze zegt, ‘op

safe spelen’, een beetje zoals ik, denk ik. Het is nog maar
een paar maanden geleden dat ze alles bezat.

Ik dacht u laatst op straat te zien, zeg ik haar, het geheim
wordt groter: regelmatig gaat ze terug naar

haar oude straat, ze laat zich toch niet beperken, haar hoofd
is nog goed, de zon, zegt ze, in die woestijn!

En net als ik denk aan dat hoofd, haalt ze een kaart uit haar
tasje, Saoedi-Arabië en xxxxx op de achterkant.

 

(we lazen gisteren weer voor in verzorgingshuis de Kooimeer,
uit de verhalen van huismus Wil Bijlsma)

de anderen

Van heel vroeger de filmbeelden waarin wiebelende auto’s
en stuntelige mannen het hele verkeer bepaalden,

ophielden en lachwekkend waren, het een beetje gegeneerd
grijnzen om zoveel misverstand en onrecht dat

het bijna huilen werd, de straat vervolgens leeg en een lichte
verwondering waar alles gebleven was. Misschien

voel ik me zo: een lichte botsing met een tegenligger die niet
dodelijk maar raak is, uit balans brengt,

rammelende onderdelen uit haar voegen stoot en met extra
veel moeite de weg een golvend geheel maakt,

terwijl alleen maar rechtdoor rijden is wat je wilt. Bovendien
wil je geen besmuikt gelach en geen traan om

dat wat misgaat, geen publiek bij de poging de rit te hervatten
en zeker geen beeldbepalend verlies.

bedrieglijk de stilte

In de gedeelde wereld lijkt het nog een leuk bericht,
iedereen reageert enthousiast, wenst hem

veel plezier, vraagt geen details maar neemt aan dat
alles is volgens wens en plan en wat

zij doet, nou ja, behalve eenzaam zijn, gaat niemand
iets aan. Hoe kleiner het scherm, hoe groter

het verhaal, hij wilde niet echt maar kon niet weigeren,
zij moppert en dreigt, misschien is ze wel

voorgoed vertrokken als hij terugkomt, zouden we niet
maar we zullen niets, veel plezier zeg ik ook

en alles is toch naar jouw idee, nee, zegt hij en dan is
alleen het aantal kilometers verhoogd tot een

onneembaar aantal, hij ligt gewoon ter linkerzij, ik kan
hem voelen als ik mijn best doe, ik doe altijd mijn best.

mopperende figuren

Soms is iets het tegenovergestelde van dat wat ik schrijf.
Laatst waren het de fabriekspijpen die zwart

een droeve afloop aankondigden, zo leeg in de lucht staand
terwijl ik tussen beiden al een slinger van

licht hing, sterren in de richting van het Noorden en reeds
bukkend voor het heilig kind in de kribbe. Soms

moet ik u overtuigen van een ander evangelie zodat ikzelf
tenslotte dat ook geloven ga, ik ben niet eens

zeker van het nut van fabrieken in die omgeving noch van
de lengte van de afgetekende onderdelen, moet

eerst niet iets bewezen worden alvorens wij opnieuw gaan
knielen, enzovoorts. Het kind in kwestie een

vervelende oude man die roept van vrede en hoop en toch ik
als betoverd door zijn vermeende stralenkrans.

de zorgvuldig gekozen entourage

Hier liep ik met mijn vader, zei je, hier liep ik
met mijn hond, hier rijd ik met jou –

rond, wilde ik eraan toevoegen omdat het rijmt
zoals de verlatenheid van het terrein,

de lege fabrieken, de haven met de sluizen die
alleen de boot van Sinterklaas, zei jij,

nog door zouden laten, de hoge schoorstenen en
de zwarte vegen in de lucht met

het ons samenhingen, bijna nacht, bijna vervallen,
bijna voorgoed afgelopen, geen geluid

dan het water dat nog aan de kade klotst, jouw
hand die schakelt, het stuur dat draait,

mijn bezorgdheid die misselijk tegen de ramen
slaat als angst die bij verlies hoort.

langs haar kwetsbare zijde

De dromen verdwenen is er nu alleen nog het waken.
Ik ben dat geworden wat ik een ander

verweet: ik hussel in de tijd, haal gebeurtenis en feit
met herinnering en fictie door elkaar,

dwaal door een vrijplaats die voor mij niets lieflijks
heeft en dat terwijl de regenplassen opdrogen,

de groet loom en herkennend, de dichter mij op de
mond kust en de ander mij haar zilveren

bloesje toevertrouwt en niets is erg of toevallig, ik
moet alleen de magic proeven alvorens

haar te zien. Ik leg de beelden vast, ook daarin ben
ik geschoold en ik schuil in de kerk, ook

dat was de bedoeling, alleen weiger ik, net als toen,
hardnekkig wat dan ook te geloven terwijl

de wond aan mijn zijde steekt en openbarst op dat
moment dat hij haar zacht bevoelt.

 


 

hoe blond deze was

Het lint strak opgerold. Eerst als ik haar pak en zij zich door
mijn vingers afspoelt, de uiteinden tegen mijn benen,

komt het dorp terug en mijn rust, de zangerige geluiden uit
de achterdeuren, de wekelijkse vis onder

de kerktoren, de overige beesten in de struiken, de mannen
op de daken, wijdbeens, de hamergeluiden van

hun ijver, vakanties van daarvoor, mijn vader door de muren
en mijn mamma op haar knieën in het gras, dan

herinner ik mij het gevoel alsof het voor het laatst was en
het een bedoeling had, mijn verblijf noodzaak

tot het afronden van een toevalligheid, de cirkel rond, het
spelen gedaan, de schat gedeeld, de wegen

gelopen tot hier. Opnieuw moet ik beschrijven blijkbaar hoe
kleur en versierselen opgeborgen horen voor later.

elke keer komen wij onverhoeds weer binnen

Bij een bepaalde wind, storm uit het oosten of gewoon
een hoger cijfer dan normaal, schieten de

lichte insecten vanuit mijn rechterooghoek brommend
op me af, alsof ze allemaal van plan zijn

hun angels in mijn bil te steken of erger nog, dwars door
mijn oog te gaan dat voorgoed dan stil

blijft staan. Zo zijn ook de dromen bonter, meer mensen
die mij bezoeken, meer kinderen en kleuren

zelfs als graffiti op een dode muur, het raam klapt dicht,
de warmte schopt mij bloot, ik moet allen nog

waarschuwen voor de kracht van de natuur, wat vergat
ik te zeggen nog, dan komt de volgende

vlucht, spuwend gillen zij nu, steeds groter en buk ik maar
als een medepassagier op de voorste rij.

om mij af te leiden

Door het gladde pad, het groen verruild voor koper,
de natte stadswal met de opbouw van poffertjestent
en reuzenrad, omcirkelen wij de plaats

zoals voorvaderen ver voor ons deden, hun lijven
zwaar van harnas en schild dansen wij bijna op de
slingerende toegangsweg en elke

keer komen wij onverhoeds weer binnen, alles kennen
wij hoewel hem niet bij naam en toch is het een inval
en geen thuiskomen en moet iedere

keer weer het steen heroverd worden op de herkenning,
het welkom, opnieuw zich voegen onder ons, de deur
klemt, een hond schuilt in de leegte, een

te vroeg afgestoken vuurpijl waarschuwt, nog even de
geur van olie en pek alvorens een laatbloeiende struik
hangend in het water de buitenstaander verleidt.

 

(Alkmaar maakt zich op voor de viering van haar Ontzet)

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑