Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (pagina 1 van 20)

een kind liet een fietsje liggen

Er zijn auto’s in het weiland, snelle bestuurders die met
raampjes open langs het riet stuiven, als

eerste bij het duin willen zijn, het appelgebak met slagroom,
de winderige attractie: de zee terwijl deze

fietser voortdurend afstapt, de verten neemt, de paarden
dichterbij haalt, gretiger dan anders.

Op de verzamelplek van kunst en schetterende mensen in
op elkaar afgestemde kleuren, grijs veelal,

neemt zij de tegengestelde route en het weerkaatste licht.
een bezoeker zet zijn zonnebril op om haar

te herkennen, de mooiste beelden komen echter van buiten:
de bomen wachten, er zijn rode wangen, losse

jasjes, blote benen en vermoedelijk reeds druppende ijsjes
in jengelende handen, kleverige neusjes.

de activiteiten van

De kunsten zijn gered. Wijzelf misschien ook. Je kunt
leven op een punt taart, roze weliswaar, en je langs

keurig opgestelde politieauto’s wurmen met het geschreeuw
van hooligans rondom je en dwars door

massa’s toeristen en een trage trein toch in die donkere en
andere wereld thuiskomen met aan je handen

de buit van de dag. We hebben de foto’s, we hebben de
woorden, we hebben prei en wortel, aardappels

die zo groot hier niet groeien, de boterhammen gespaard,
ons truitje verkeerd om aan, hem in ons lijf.

Je kunt met zoveel minder toe en toch merk je daar pas,
zachte regen onderweg, hoe groot

de honger is en hoe lang je teerde op voorraden die lang
en onbederfelijk in je kasten scholen.

 

honderd keer

Aan het eind van het verhaal vertel ik wat er echt
gebeurde en ik houd de omslag waarop

zijn foto omhoog en langzaam langs hun gezichten.
Het jongetje dat donker en serieus

en met zijn handen voor zich op het schooltafeltje
naar de fotograaf kijkt en daarstraks nog

in een driedelig pak, grijs met smal wit streepje en
voor een rijksdaalder bij de kringloop gekocht,

onherkenbaar voor zijn ouders was, langs ons liep,
trots op de vondst waarmee hij een dag langer,

een dag uitstel verkreeg, daarna zijn hemdsmouwen
opstroopte, nog even keek naar het haar

dat eindelijk groeide, zwart, zoals hij, als kind had
gewenst, en toen de lus aanhaalde, strak

van de bijgeleverde stropdas, oranje gestreept, die
gratis uit de linker jaszak bungelde.

 

(in de voorleesgroep huilt mevrouw B. sowieso elke keer waarna zij mij
bedankt, met twee handen, en zegt zo genoten te hebben)

voor donker thuis

Bij het reizen door de tijd nam hij niemand mee, toch
waren alle ontmoetingen herhalingen en

uitgestelde verlangens en iedereen had als passagier in
zekere zin graag geboekt maar het kaartje was

kwijt, de kleding niet de juiste en de houding niet die
van een enthousiast kind. Zij was nooit

weggeweest nog. Hij herinnert zich een route en hand
in hand oversteken, hij had er

beelden van maar daarop is ook te zien hoe een klein en
wit konijntje plotseling vanachter hem opzij

hupt en zij opeens op knieën door het gras en fluisterend
door een geheime ingang verdween. Ze

kwam nergens aan maar als je die seconde stilzette, zat ze
met het beest op schoot en aaide het.

zoals ik me iemand verzin

Later dan, als ik groot ben, als ik weg kan, als ik alleen
op de fiets mag, als ik alleen de boodschappen mag

doen, als ik alleen maar voor donker thuis moet zijn, als
ik zelf mag bepalen wat ik eet, als ik

een eigen voordeur heb, later, als ik dan, alleen ben en
voor altijd alleen bepaal wat ik draag, wat ik

opruim, wat mijn tijd is, wat mijn vrienden zijn, wat het
leven is. Dat later van toen, dat alleen maar

groter groeien is, maakt verder van huis dichterbij dan
in het begin, het kiezen uiteindelijk

eenzaam, het dromen bonter en het weg mogen even
noodzakelijk, het donker intenser en het

thuis een permanente status in het hoofd dat toen al net
zo overvol en zo gemakkelijk rolde.

veel langzamer dan later

In de mistige morgen cirkelen de zilveren vogels luidruchtiger
boven mijn hoofd alsof ze de passagiers willen laten

uitstappen op mijn dak, er is niemand te zien, niets beweegt
zich, zelfs de zwarte vogels aarzelen alvorens.

Ik verzin een glijbaan en een scheve wolk, een behouden aankomst
en een gezellig samenzijn aan mijn tafel zoals ik me

iemand verzin die mij binnenhaalt en luistert naar mijn verhalen.
Er is alleen de idiote buurvrouw die soms en

onverwachts boven aan de trappen staat, moeder spelend over
een te laat thuiskomend kind, ik duik onder haar

armen door en draai drie keer mijn sleutel om alvorens zij gaat
krijsen of erger, niets zegt en alleen kijkt. Grijs ook

de rest van de wereld. Men zou kunnen beslissen tot een algeheel
zwijgen of de derde zwarte boom van rechts.

in botsing met konijn, kat en scheef gewaaide boom

De zwarte vogels die ze uit zijn handen tovert, de hond
waarop zijn hoofd rust, het fietsen tot

onder de brug door, de vrachtwagen die stopt, het zeil
dat in de hoeken gebarsten is, zijn

schoenen onderaan de trap, hij ziet ze nu pas voor het
eerst, meent hij, en duidelijker dan in de beelden

die hij monteerde, hij is vergeten dat haar stem de tijd
al samenvatte en hoe ze mee had gemogen op

die reisjes. Wiebelend naast hem had ze uit hetzelfde
raam gekeken, wijzend met haar vingers en

achter hem hurkend in het gras, er waren altijd plaatsen
die ze moest kenmerken door haar geur zoals

in al die woorden haar lijf zachtjes drukte, haar borsten
duwde, haar tong voor zijn beurt sprak.

 

(boek 9, 2e versie is ingeleverd bij zowel een uitgever als
bij de hoofdpersoon)

dat er nog verten lagen

Zoals wij vroeger de dichtregels kozen als vrij onderwerp
voor het verplicht opstel en nu die paar

woorden nemen uit de dag hiervoor en dan verder schrijven,
zo kiest mevrouw B. de opdracht van de dag:

vanuit de Bijbel haalt zij die dingen die ze niet meer goed
beheerst, ongehoorzaam als zij is, en bouwt dan

verweer en constructie, uitleg en genade, moed en uiteraard
vergeving in een afgemeten vorm, een

A-4tje elke dag en meent dat door deze opzet haar ziel eens
weer opstijgen mag. Zoveel verschillen we

niet. Het lam komt voorbij en het eeuwig brandend hellevuur,
het onderweg zijn en het wachten op Hem, de

wonderlijke visvangst en het breken van het brood, de kraaiende
haan en het lopen over water, de gaten in de zij.

het krijsend gevogelte

Ik beloof hem het op te schrijven, het uit zijn hoofd te
halen en vorm te geven en toch weet ik niet

of ik dat kan. Er ruisen witte vlokjes langs de ramen,
er schuilen eenden onder de brug, boten

blijven liggen voor de bocht. Ik wist niet dat ik hier zou
zijn, het licht binnen in strepen van een

heel andere kleur. Ik wist niet dat er nog verten lagen,
groene vlakten die ik in me zuig, ik houd

alleen mijn eigen hand tussen mijn benen. Er zijn maar
een paar andere mensen die bijna

het liedje meezingen, het hoofd schudden, zachtjes om
zoveel schoonheid en gemis. We blijven

schuilen blijkbaar, dragen twee truien over elkaar, de
ledematen tintelen, dan lachen we naar elkaar.

ondertussen schrijft zij

Het meisje tegenover mij dat zich net zo vlijt tegen de zijkant
van het raam waar witte waas het zicht ontneemt,

aan haar haren trekt en ze schikt en weer haar ogen dichtdoet,
kleine streepjes groen op de melkwitte huid,

de mond een kleine ode, de handen om de mobiel geklemd of
weer in de rode stroom over hoofd en schouders en

langs haar borst, kijkt pas op als de trein voor de vijfde keer
stopt, we allebei onze jassen dichtknopen,

gapen, lachen. Zij zegt sorry voor dat aanstekelijk grimassen,
ik zeg hoe mooi haar kleur haar is en dat ze

dat nooit moet veranderen. Ze bedankt me, wenst me een fijne
dag, ik doe hetzelfde. Alsof ook ik dan pas

opkijk en mezelf zie. We lossen op in de massa, waaieren uit,
lichten op zolang het duurt, de mist scheurt.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑