Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: natuur (pagina 1 van 10)

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

een dagelijkse oefening

Daar krioelden alleen de beesten onder mij. In het
donker en op natte aarde, tussen piepende hekken
en smalle stroken land waarover

eerder mijn voorouders de sporen trokken. Hier leven
de mensen die hun gesprekken, voertuigen, honden,
vrienden onderaan mijn voeten verdelen,

luidkeels snaterend niets in ere houdend dan zichzelf.
Om terug te zijn, het pad te lopen tussen deze twee
plaatsen en de doden te herkennen, de vogels

op te graven, de kerkklokken te laten luiden, drie
rondes vol omtrekkende bewegingen waarbij ik elk
van hen kan groeten, de bomen te horen

ruisen, de enkele stap echoënd in een ochtend die dan
pas ontwaakt met geuren van het bloeiend veld, de
oogst, het fruit in de schuur en haar psalm.

 

(op mijn auteurspagina op Facebook een flard presentatie uit januari dit jaar
van de bundel handelend over het dorp)

echte familie

De storm zo hevig, alle geluiden die van omvallen,
lage stappen om de hoek van mijn bestaan,

plotselinge vlagen van ongekende kracht, trekkend
en tegenhoudend, het water onder de brug

roept, dan weer bedrieglijk de stilte, sussende zuchten
wind, zon tussen in de war geschopte

hoofden, haren in een knoop achterop, een kind heel
dicht tegen je zij, hoeveel daarachter nog,

regen op je voeten, dan weer terugduwend en botsend
en naar adem happend, de woorden niet

kunnen verstaan tot de klingelende deur, damp op het
raam, jassen over stoelen, wijdbeense

gesprekken, op een rijtje de helden, tussen de vingers
de warme dranken, hij lachend roepend ‘watje’.

elke keer komen wij onverhoeds weer binnen

Bij een bepaalde wind, storm uit het oosten of gewoon
een hoger cijfer dan normaal, schieten de

lichte insecten vanuit mijn rechterooghoek brommend
op me af, alsof ze allemaal van plan zijn

hun angels in mijn bil te steken of erger nog, dwars door
mijn oog te gaan dat voorgoed dan stil

blijft staan. Zo zijn ook de dromen bonter, meer mensen
die mij bezoeken, meer kinderen en kleuren

zelfs als graffiti op een dode muur, het raam klapt dicht,
de warmte schopt mij bloot, ik moet allen nog

waarschuwen voor de kracht van de natuur, wat vergat
ik te zeggen nog, dan komt de volgende

vlucht, spuwend gillen zij nu, steeds groter en buk ik maar
als een medepassagier op de voorste rij.

om mij af te leiden

Door het gladde pad, het groen verruild voor koper,
de natte stadswal met de opbouw van poffertjestent
en reuzenrad, omcirkelen wij de plaats

zoals voorvaderen ver voor ons deden, hun lijven
zwaar van harnas en schild dansen wij bijna op de
slingerende toegangsweg en elke

keer komen wij onverhoeds weer binnen, alles kennen
wij hoewel hem niet bij naam en toch is het een inval
en geen thuiskomen en moet iedere

keer weer het steen heroverd worden op de herkenning,
het welkom, opnieuw zich voegen onder ons, de deur
klemt, een hond schuilt in de leegte, een

te vroeg afgestoken vuurpijl waarschuwt, nog even de
geur van olie en pek alvorens een laatbloeiende struik
hangend in het water de buitenstaander verleidt.

 

(Alkmaar maakt zich op voor de viering van haar Ontzet)

zwarte kraaien die uit hemdsmouwen vliegen

Waar vroeger laaghartig gekropen werd om het huis,
verscholen tussen de dichte bladeren van

zodat alleen geritsel iets verried, voeten opgeschrikt
door klamme en ongewenste omhelzingen,

plotselinge moordpartijen en gilletjes tot over de weg
die als enig lint kleurloos wapperde, de

bijlen klaar tegen de stam, na uren kriebelende nazaten
op intieme delen als te vroeg afgehakte

ledematen, wacht nu een enkel exemplaar met gespeelde
triomf hoog tegen het venster, bijna

roerloos en vals afwachtend tot ik tuimel uit het raam en
voor doe hoe te ontkomen, te bewegen weer

en nieuwe vrienden te maken, een kale grasspriet wenkt,
een schril gekras trekt over de hoofden.

als een vergeten jurkje

De dichter brengt me mijn moeder maar ook de mist die een
dag later dicht om de torens hier hangt, een

enkel beest blatend in een nabije verte, zwarte kraaien die uit
hemdsmouwen vliegen, de leegte van

dit schrijverschap, een bekentenis, hij lacht er een beetje bij,
het is zomer opeens weer, er

zijn nauwelijks bezoekers, klaterende keukengeluiden en een
kind dat speelt in de gang, gierende stadsgeluiden en

dichterbij het verspeelde heitelân, een uitzicht dat zich door
mijn ramen wisselt als het wit in slierten wegtrekt, daar

de ruimte, het zwart van haar aarde, de rozen tegen het huis,
het uitgestrekte wasgoed over het tere groen,

daar de doden, niet nagekomen beloften, gaten in een leeg
vertrek, haar koffer met bovenop het boek van goud.

als een zomerse bui

Een eerste bericht komt nu op het moment dat in mijn droom
de kookwekker afgaat en ik van boven de dampende

borden haal, het waterhuis, de kinderen nog klein, de honger
als altijd ongekend. Er ligt een boom op de rails,

meldt de een en de ander toont, alsof er geen tegenwind was,
een foto van een hondje dat schuldbewust kijkt,

daarna zijn rode wangen, natte sokken en de verschuivingen
in het systeem nu veertien vrachtwagens niet

onderweg zijn. Het is hetzelfde rare tijdsverlies dat ik voel
als ik in boek 9 bezig ben en nog precies zo

mijn zinnen formuleer, drapeer om de gedragingen van toen
die maar herhaald worden, zonder beeld

of het moeten de bomen rondom mijn toren zijn die vanuit
hun stammen kreunen en mij bijkans raken.

vlekken

Als ik met mijn hand door de bak met pruimen ga en een
voor een het fruit oppak, zie ik de rijpe vruchten op

het tuinpad van mijn ouders, zwaar van boven gevallen en
uit elkaar, de pit zichtbaar, nest van wespen en

vliegen, mieren, voetafdrukken van slippende haastige
voorbijgangers, de kleur uitgespreid tot in de

grasstrook aan de zijkant. Ik zie de volle schort van mijn
mamma en de blauwpaarse vlekken aan mijn

vingers, ik snijd de vruchten doormidden en wip de kern
eruit en zij sjouwt met de pan en maakt ons jam

tot in de volgende winter. Nu tel ik er zeven, zeventien dan
en reken ze af en wacht tot de kleur diep is en

de huid zacht en zoek met mijn tong het hart en spuug heel
zeker en ver naar beneden de nieuwe oogst.

boom

Uit het nog donkere bos de warme vlagen: langs de benen en
opeens de vochtige drukkende armen van

laaghangende zwarte takken, de bruine gaten van zand en pad
en wegen rondom, de diepe sporen die

dieren hebben getrokken, de slepende tred van losse armen, de
witte vlekken die het einde markeren, de vrouw

voorop, in de overtuiging nog dat alles onder controle is, het
gezin met felle tasjes op de rechte rug, wij

bukkend, de dauwdruppels in mijn nek, een jongen met de
handen in de zij doet kniebuigingen, identiek

aan het meisje dat naast de baan haar hoofd omhooghoudt met
gestrekte handen, de bladeren bewegen, traag

mijn benen die kinderlijk van de trappers mogen het laatste
stukje, dan de koelte van de vaste weg terug, het licht.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑