Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (pagina 1 van 20)

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

een hechte verbintenis

Er zijn twee onderwerpen, meent hij, waarover ik
bij uitstek kan schrijven in plaats van

langdurig en bij herhaling ze te benoemen in een
gesprek en het zijn toevallig die thema’s

die hij liever vermijdt, of nee, hij gaat ze niet uit
de weg, ze bestaan heus, maar hij maakt er

iets anders van, eigenlijk hetzelfde als ik maar dan
niet met woorden. Als ik nu hier kijk naar

het beeldmateriaal, en hij daar blijft in mijn poëzie,
dan is dat een nieuwe gesprekskeuze, een

andere invalshoek, jaja. Ik vat het een beetje grimmig
samen, veel binnenrijm maar verder een

uitgezakt broddelwerkje, nou ja, zwijgt hij, je moet
natuurlijk wel je best doen hè

een dier op aaihoogte

Soms zie ik je terug, een ruimte voorbij mij, een stoel
in de verte, ik moet mijn ogen dichtknijpen,

je bent twintig of zoiets, je haar is nog zwart en je hebt
als altijd hoofdpijn, je leunt tegen de zitting,

je hand aan de riem van je broek, de ander doelloos in
de vensterbank, zijn er ramen, kijk je

ooit deze kant op, ik zou zomaar naar je toe kunnen lopen,
ontdekken hoe oud ik ben, weten dat je

niet dezelfde bent, je missen, dierlijk missen en mezelf
daarbij, dan wend ik mijn hoofd af en leun

en zie in omgekeerde volgorde de stad tegemoet die jij
verlaat, er ligt een briefje op tafel, ik mag

gerust de hagelslag opmaken, nee geen hartje in de spiegel
en vergeet niet waarvoor je kwam.

de activiteiten van

De kunsten zijn gered. Wijzelf misschien ook. Je kunt
leven op een punt taart, roze weliswaar, en je langs

keurig opgestelde politieauto’s wurmen met het geschreeuw
van hooligans rondom je en dwars door

massa’s toeristen en een trage trein toch in die donkere en
andere wereld thuiskomen met aan je handen

de buit van de dag. We hebben de foto’s, we hebben de
woorden, we hebben prei en wortel, aardappels

die zo groot hier niet groeien, de boterhammen gespaard,
ons truitje verkeerd om aan, hem in ons lijf.

Je kunt met zoveel minder toe en toch merk je daar pas,
zachte regen onderweg, hoe groot

de honger is en hoe lang je teerde op voorraden die lang
en onbederfelijk in je kasten scholen.

 

zij verschijnt in het najaar

Ze verwachten geen nieuws en een beetje seks kan geen
kwaad, menen zij, integendeel zelfs. Het gaat

niet om een bepaald persoon, denken zij en geheimen kan
ik sowieso niet bewaren en opstootjes,

plagerijen, uit de hand gelopen ervaringen herkennen ze
zonder ze te lezen. En het scheelt, voeg ik

toe, dat er een andere achternaam is en welke collega van
hen kent nu literatuur en weet je nog hoe

en dan buitelen lijven, woorden, jaren over elkaar heen, we
toosten op alle behaalde successen en zij betalen,

hoe dan ook. Ze leggen hun melkwitte armen over mijn
oude plooien en lopen met jas los een

andere kant op, zeg het als je thuis bent, en mijn hakken
tikken elke angst weg, er is immers niets nieuw.

een stampvoetende cadans

Ze doet het opnieuw. Als de aanzwellende, gierende en ijzige
wind kruipt ze weer tussen zijn kieren, laat

deuren klapperen, steelt zijn dekens, wipt zijn billen omhoog
en vindt hem bloot, aandoenlijk, gekromd, het

kussen op zijn hoofd, men dient zich te beschermen tegen dat
soort temperaturen, dat soort gedrag, die

wisseling van het seizoen. Blies zij eerst de pluisjes uit zijn
liezen, de krullen van zijn voorhoofd, de

warme zomer over het gladde water, later stoof zij met witte
wasem, vochtige slierten, druppels van

ondoorzichtig glas en strooide zij tere laagjes fijne suiker rond
zijn huizen. Hij moet met luiken in de weer,

kranten tussen de gaten, wollen stroken onder de wand, het hout
verzamelen maar zij is al binnen en raast.

voor donker thuis

Bij het reizen door de tijd nam hij niemand mee, toch
waren alle ontmoetingen herhalingen en

uitgestelde verlangens en iedereen had als passagier in
zekere zin graag geboekt maar het kaartje was

kwijt, de kleding niet de juiste en de houding niet die
van een enthousiast kind. Zij was nooit

weggeweest nog. Hij herinnert zich een route en hand
in hand oversteken, hij had er

beelden van maar daarop is ook te zien hoe een klein en
wit konijntje plotseling vanachter hem opzij

hupt en zij opeens op knieën door het gras en fluisterend
door een geheime ingang verdween. Ze

kwam nergens aan maar als je die seconde stilzette, zat ze
met het beest op schoot en aaide het.

in botsing met konijn, kat en scheef gewaaide boom

De zwarte vogels die ze uit zijn handen tovert, de hond
waarop zijn hoofd rust, het fietsen tot

onder de brug door, de vrachtwagen die stopt, het zeil
dat in de hoeken gebarsten is, zijn

schoenen onderaan de trap, hij ziet ze nu pas voor het
eerst, meent hij, en duidelijker dan in de beelden

die hij monteerde, hij is vergeten dat haar stem de tijd
al samenvatte en hoe ze mee had gemogen op

die reisjes. Wiebelend naast hem had ze uit hetzelfde
raam gekeken, wijzend met haar vingers en

achter hem hurkend in het gras, er waren altijd plaatsen
die ze moest kenmerken door haar geur zoals

in al die woorden haar lijf zachtjes drukte, haar borsten
duwde, haar tong voor zijn beurt sprak.

 

(boek 9, 2e versie is ingeleverd bij zowel een uitgever als
bij de hoofdpersoon)

dat er nog verten lagen

Zoals wij vroeger de dichtregels kozen als vrij onderwerp
voor het verplicht opstel en nu die paar

woorden nemen uit de dag hiervoor en dan verder schrijven,
zo kiest mevrouw B. de opdracht van de dag:

vanuit de Bijbel haalt zij die dingen die ze niet meer goed
beheerst, ongehoorzaam als zij is, en bouwt dan

verweer en constructie, uitleg en genade, moed en uiteraard
vergeving in een afgemeten vorm, een

A-4tje elke dag en meent dat door deze opzet haar ziel eens
weer opstijgen mag. Zoveel verschillen we

niet. Het lam komt voorbij en het eeuwig brandend hellevuur,
het onderweg zijn en het wachten op Hem, de

wonderlijke visvangst en het breken van het brood, de kraaiende
haan en het lopen over water, de gaten in de zij.

zijn medestander

Er zijn geen impertinente vragen, ik geef alleen geen
antwoord dan in het schrijven. Er zijn

geen bewijzen, alleen directe aanleidingen tussen mijn
regels. Er zijn alleen maar daar

vermoedens. Het gekonkel is tussen de lezers, mijn
geweten en mijn gedrag, het is immers aan

mij of ik op sta of niet. Ik hurk nog altijd voor zijn graf,
in haast het slaan van het kruis, het vegen van

de bloembladeren, het knikje naar de aarde. Ik praat in
rust tegen haar, zon schijnt, zeg ik of hoe

mijn gezin zich uitbreidt of dat het dan eindelijk toch
gelukt is, dit schrijven, hij

luistert mee, maakt een grapje, verontschuldigt zich en
toch, zegt hij, is alles altijd voor hem geweest.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑