Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (pagina 1 van 17)

twee kamers waartussen

Er zijn dingen die ik helemaal nooit meer doe: mijn
benen openen, mijn benen sluiten, alsof ik

eindelijk zwem, jouw gewicht voelend met kleren aan
verzuip, boven kom en stil lig, voor altijd

doortrokken van een groot besef van leegte. Er zijn
dagen die ik helemaal niet meer ken:

je van me afschuddend terwijl je over mijn rug hangt
en bij elke beweging je vaster maakt, je

lach als de hand die me het oversteken leert. Er zijn
mensen die ik helemaal nooit meer zie:

jou, de ouders die voorbij de spoorlijn liggen, liefje
X., mezelf als dertienjarige, de man die

muziek maakte bij de lege polder achter zijn huis of
de zwemster die iets te enthousiast sprong.

verontschuldigend

Lang bleef ik denken dat het gewoon kon: ik zou op
het ronde raampje kloppen en wachten tot

zijn hoofd langzaam boven kwam, de deur van het
vooronder ontsloten, dan de vier dansende

stappen, de verende krullen, de grijns, de kajuitdeur
en het mij naar binnen trekken waarbij

het lijf tuimelend in touw en olie, voorraden en water
bijna, fietsen, boeken, lampen, stuur

en kapitein, opeens weer zou weten hoe het leven
werkt, terug zou grijnzen, geen woord zou

uiten dan het likken aan zijn hals, het bijten in zijn nek,
het scheuren aan zijn overhemd, het zoeken

van zijn mond, terugvallend in het ruim van een schip
dat varen kon naar het begin van de rivier.

in de aanwezigheid van

Soms wordt de balans verstoord door iets van
buitenaf, een vogel die met vaart tegen

het raam vliegt, een buurman die schreeuwt om
wraak, een liefje dat onverwacht

ergens opduikt; vaak ook is het iets in mezelf:
dat naar beneden vallen van het beest,

de peilloze diepte, de stem die verdwijnt nadat
de kreet gesmoord tuimelt en dan nog het

lijf erachteraan. In de vroege ochtend rekenen
we op meer, herstel en het openbreken van

de lucht zodat we kunnen zien waar we zijn en
waar hij ligt, dan lopen we voorbij,

verwaaide takken een kruisje, de kat een maaltijd,
liefde van tijdelijke aard.

een passage

Mij willen vastleggen op een onverwacht moment is net
zo ongewenst intiem als het mij aanraken na

maanden, de handen over mijn armen of in het haar, en
van eenzelfde brutaliteit als het mij toestaan

mijzelf daar te uiten, de camera loopt, mijn gezicht draait,
ik schuif zelfs mijn lijf buiten beeld en hoor

mezelf zeggen dat hij te laat is, zoals altijd te laat. Niets
kan ik duidelijker maken dan dat. Hij

kent mij niet. Hij kent ons niet. Mij stopzetten op dat ene
moment is hetzelfde als mij ontkennen en

vergeten in al die ogenblikken daarvoor, hij kadert de tijd
en mij alsof het geen kostbaar geschenk is, daar

zweeft mijn hand vertraagd richting zijn hoofd en de klap
is slechts een kriebel in zijn krullen.

bedrieglijk de stilte

In de gedeelde wereld lijkt het nog een leuk bericht,
iedereen reageert enthousiast, wenst hem

veel plezier, vraagt geen details maar neemt aan dat
alles is volgens wens en plan en wat

zij doet, nou ja, behalve eenzaam zijn, gaat niemand
iets aan. Hoe kleiner het scherm, hoe groter

het verhaal, hij wilde niet echt maar kon niet weigeren,
zij moppert en dreigt, misschien is ze wel

voorgoed vertrokken als hij terugkomt, zouden we niet
maar we zullen niets, veel plezier zeg ik ook

en alles is toch naar jouw idee, nee, zegt hij en dan is
alleen het aantal kilometers verhoogd tot een

onneembaar aantal, hij ligt gewoon ter linkerzij, ik kan
hem voelen als ik mijn best doe, ik doe altijd mijn best.

plastic bloemetjes

Hoog in hun armen bekijkt hij de brede rivier die om
de stad heen loopt, het reuzenrad waarin zijn

pappa zijn mamma vroeg, het kinderkunstkleed in het
modernste museum waarover hij giechelend

naast zijn gekke vader kruipt, het puntje pizza dat hij
in zijn open mondje schuift, mamma zegt

Cheers, ik zie haar de letters vormen, hij heeft daarvoor
nog dag gezwaaid, rechtop in het scherm

voor mij, de sokken alweer half uit en lachend als ik
mijn blote voet via de werktafel in zijn

neusje duw, alle drie zo aanwezig en duidelijk en ik
als hem klauterend over de attributen,

hen, ons verleden, de herinnering aan moed en leven
en murmelende kooswoordjes als zijn ‘oma!’

mopperende figuren

Soms is iets het tegenovergestelde van dat wat ik schrijf.
Laatst waren het de fabriekspijpen die zwart

een droeve afloop aankondigden, zo leeg in de lucht staand
terwijl ik tussen beiden al een slinger van

licht hing, sterren in de richting van het Noorden en reeds
bukkend voor het heilig kind in de kribbe. Soms

moet ik u overtuigen van een ander evangelie zodat ikzelf
tenslotte dat ook geloven ga, ik ben niet eens

zeker van het nut van fabrieken in die omgeving noch van
de lengte van de afgetekende onderdelen, moet

eerst niet iets bewezen worden alvorens wij opnieuw gaan
knielen, enzovoorts. Het kind in kwestie een

vervelende oude man die roept van vrede en hoop en toch ik
als betoverd door zijn vermeende stralenkrans.

de warme kuil

Hier liep zij met dansend haar uit mijn zicht en
stond ik stil en huilde drie, vier tranen,

ze keek niet nogmaals om, ik riep niet nogmaals
na. Het waren haar straten die ik

gisteren liep, langs haar woningen waar nog meer
teksten op de muren waren verschenen

alsof ik zonder woorden haar vergeten zou zijn.
Voor het oude huis een graafmachine,

een schuifelende rij langs ijzer en pion, regen langs
de kerk, mopperende figuren. Ze zou

voor de spiegel staan en een bloesje proberen dat
keurig in haar rok verdween, de

hakken afgesleten maar vastberaden op weg naar
een volgend resultaat, de toekomst.

de zorgvuldig gekozen entourage

Hier liep ik met mijn vader, zei je, hier liep ik
met mijn hond, hier rijd ik met jou –

rond, wilde ik eraan toevoegen omdat het rijmt
zoals de verlatenheid van het terrein,

de lege fabrieken, de haven met de sluizen die
alleen de boot van Sinterklaas, zei jij,

nog door zouden laten, de hoge schoorstenen en
de zwarte vegen in de lucht met

het ons samenhingen, bijna nacht, bijna vervallen,
bijna voorgoed afgelopen, geen geluid

dan het water dat nog aan de kade klotst, jouw
hand die schakelt, het stuur dat draait,

mijn bezorgdheid die misselijk tegen de ramen
slaat als angst die bij verlies hoort.

het vacuüm

Katachtige bewegingen in mijn rechterooghoek, wind die
aanzwelt en de vlek nog zwarter maakt, de

stem alsof hij me gisteren wekte nog, straks ploft hij met
een vanzelfsprekendheid bovenop mijn

slapend lijf. Ik blijf wakker, sluit mijn deuren, spreek alleen
met het blozend kind overzee dat ‘auto’

zegt en het voertuig me aanwijst, onder zijn voeten het
uitgevouwen boek, hij reikt me zijn

armen, meer kan ik niet dragen. Zijn moeder krult op de
grond in een wintertrui, haar lange vingers om

een warme mok. Ik heb het haar niet verteld. Het licht uit
het scherm vervaagt al het andere. Later

is ze in miniformaat nog even terug in verkleedkleren en
danst, de wereld weer ontsloten en hanteerbaar.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑