Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (pagina 1 van 18)

nog lang en gelukkig

Soms is het alleen zijn niet voldoende. De geluiden in het
hoofd gonzen als het verkeer beneden, stemmen

in het trappenhuis, vliegtuigen in de lucht, vogels die krassend
van de dakgoot rollen, piepjes die het schermpje

rechts naast me doen oplichten, een deurbel die een nieuwe
toon produceert en me schrikken laat, in

de verte nog het murmelend kind en zelfs de tikkende poten
van een kat zoals de vragen van een medestander,

de aandacht van een vriend, de nieuwe aflevering van een
serie, de kranten van twee weken terug, het

nooit afgesloten verlies van langer geleden, de ogen van mijn
mamma en het hard dichtklappen van een deur

ergens, toen, opnieuw en zijn warm, los vel dat bruin in het
omwoelde bed lag met daar bovenop zijn handen.

de voorraden in de schuur

De wereld nog veilig met vlagen woedend zwart die langzaam
uitscheuren in grijze banen, huizen nog

staande gehouden door wapperende kerstlichtjes, dromende
tieners over nog niet afgestoken vuurpijlen, op

de lege straat de afgedankte kerstbomen, de uitgerukte engeltjes
in de doos op zolder reeds, een vogel die

nog zingt alsof het nieuwe jaar alvast begonnen is lang voor het
land rood kleurt, stinkend en hij en ik, brommend en

toeterend, langs het stuwende water waarin eenden, meent hij,
op haastige wielen die draaien met de stappen die ik

maak en daarachter de ratelende mamma die ik nog even hoog
til op het lege stationsplein, de klok die

stilstaat, dan zien we elkaar in de lente weer, niet omkijken maar
met de handen diep in de zakken de tegels tellen tot thuis.

 

op mijn schouders hoog

Als liefde alleen nog maar in het hoofd huist en niet langer in
de toppen van de tenen, onder de dansende voeten

en aan de uiteinden van je open handen, als eindelijk je armen
zich gesloten hebben om dat wat alleen en achter-

bleef, je benen afleerden zich automatisch te openen en niemand
meer je rug ziet, en als eindelijk dan, het

hart weer past in de daarvoor bestemde ruimte, alle te vertellen
verhalen teruggekeerd in het boek, de haren

niet meer slepend over de grond, de kleren niet meer gescheurd,
eerst dan is heimwee een toegestane hoeveelheid

klein persoonlijk leed dat volgens berekening en logica twee
nummers lang duurt en past tussen ‘jauchzet,

frohlocket’ en het ‘erbarme mich‘ zoals zij eens paste tussen
zomer en winter en de voorraden in de schuur.

wat er veranderd moest

Zodra hij weg is en met rode wangen uitgezwaaid, het
geluid van de knarsende wielen en mijn

gebrom, toettoet en haarspeldbocht om lantaarnpaal en
mamma, mijn door de wind afgesneden

adem zich hervat en ik bewuster dan ooit en vol terug
loop, bijna alsof ik hem onzichtbaar draag nu en

op mijn schouders hoog boven de massa uit, wil ik alleen
maar dat hij terugkeert en blijft. Dit herhaalt

zich steeds, oom D. stuurt een filmpje van een kind op een
trekker, een kind op een glijbaan, een kind

dat de armen in de lucht steekt bij een liedje. Daarna
speel ik weer, auto, koe, het leven, mijn

handen op elkaar, grijnst hij en loopt hij op me af, o om
voor altijd thuis te komen bij elkaar.

de knielende positie

Als alles dat groen is en groeit ‘boom’ heet en de laatste
blaadjes daarbinnen vogels lijken, de lichten

buiten het kerstsnoer vormen en aaneengeregen altijd
aan blijven, de beesten daaronder allemaal

ezel, koe en schaapje zijn en het kind kraaiend zijn rol
in de geschiedenis op zich neemt en de

mijne herhaalt en tijd niet meer bestaat dan in de stramheid
van mijn duwende ledematen of in de

wirwar van mijn zilver haar, de lengte van mijn geliefden
of de snelheid waarmee ze mij aanvullen en

zacht langs de route staan, dan is de bedoeling duidelijker
dan ooit en desalniettemin even afwezig:

dat je hier was en bij mij en je ogen straalden en je mond
een rondje vormde en bovenop de mijne plakten.

op gelijke hoogte

In slaap te vallen met hun geluiden die door het tochtig
trapgat naar boven dwarrelen als wensballonnen die

met opgetogen gezichten opgelaten worden boven al die
dagelijkse beslommeringen, stemmen die

fluisteren vanaf het moment dat zijn ademhaling rustig
wordt en hij mijn hand loslaat en ik

de knielende positie verruil voor hoog op de tenen sluipend,
thee in zacht rinkelende kommen op schoot, weet

je nog dat ik alle dingen in mijn kamer met garen aan elkaar
verbond, zegt zij, en ik, weet je nog hoe ik zei dat

je nooit meer alleen zou zijn, en dan, heb ik al die draadjes
doorgeknipt eigenlijk, en te rusten in die

veilige wetenschap voor altijd daar te zijn, vastgeknoopt
met strikjes op de uiteinden van mijn bestaan.

de kersttruien uit het overzeese land

Tien dagen lang struikel ik hier over luier en rugzak, wagen en
verongelukt autootje bij de stoelpoot, beer en

nijlpaard, tuimelbekertjes met inhoud, heel kleine gympies en
dan midden in de kamer of loop ik op tenen

mijn ritme verschuivend en denk op de harde slaapbank op
zolder niet aan muizen, lijken of

andere monsters die in mijn neus knijpen maar alleen aan hem
en hoe het zover gekomen is dat ik zoals mijn

moeder op de grond tegen de verwarming hurk, op gelijke hoogte
communiceer, bij elke hoek uitleg gevend aan de

attributen. Mijn vader praatte met volle mond en stoof als ervaren
coureur de vrijheid tegemoet en nam

alle wagens in één keer, al was het moeilijk opstaan nadien en
een beetje verontrustend dat niets heel bleef.

dat likken aan mijn inkt

De straten hierachter geven ongeordende lichteffecten die
met knallen gepaard de ruiten doen dreunen, een

enkele ster die nu al hoog de weg wijst, twee hertjes voor
een scheef hellende arrenslee, een

knipperend wc-lampje tweehoog en eenzame kinderen die
wachten bij een verdwenen sneeuwpop, vader,

achterneef, auto met kentekens als hun initialen of vuurpijlen
die sissend voortijdig de hemel verlaten.

De buurvrouw klimt ondertussen hijgend met slingers en bal
langs de betonnen treden en laat haar vochtige

warmte achter terwijl Christmas Carrols voor een verkeerde
deur bezorgd worden. De schrijver brengt

voorzichtig een kerstkind thuis en knielt waarbij zij het leven
viert tussen snottebel en open mond en kust.

tussen ons en het gebaar

Ik bracht hem het hart in borstplaat, karton, handgeschreven,
reisde naar hem met alle kinderen voor me uit, bij

temperaturen onder nul, in auto’s met minzaam zwijgende
chauffeurs, bij jolige zusters, met verzwaarde

benen, overslaande stem, geïrriteerde bezorgdheid en hield
altijd de afstand bij, de veranderingen tussen

haar en hem, de overeenkomsten tussen ons, de hoeveelheid
boeken als het teveel aan eten op het

volgeladen bord, de diepte van de kloof; ik bracht hem mezelf
en soms keek hij met waterige ogen in mijn

richting en knikte en vaak ook legde hij zijn enorme hand en
ergens halverwege ook wel en pakte en vaak

ook wel miste ik hem enorm maar nooit zoveel als de laatste
tijd waarin het hart alleen op mij wacht en ondeelbaar.

 

(mijn vader zou vandaag 97 geworden zijn, een leeftijd die
hij acceptabel vond)

in het gat

Hij filmde haar die laatste dagen zoals hij dat altijd deed
met iedereen die weg zou gaan, zichzelf

nog even in de spiegel groetend want ook hij zou, eens
en voorgoed, en hij hield de ogen open alsof

de ontmoeting de eerste was en hij zichzelf pas zag door
de lens, tussen alle attributen die opgestapeld

tussen ons en het gebaar lagen: de roze deken waarin zij
zich krulde, de bril op het boek op de tafel,

verbandjes op de wastafel, een potje zalf, de foto aan de
muur, daar waar zij vandaan kwam met

bomen die niet meer groeiden, en mij, als baby in zilver
gevat, niet tot lachen bereid nog en dan

de weg buiten, vriezend en wit zoals nu en de zon die over
die laatste akkers scheen terwijl hij draaide.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑