Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: leven (pagina 1 van 51)

de zeurende dreiging

Het was deze man die ik vaak citeerde: groter dan groot en
licht naar me voorover buigend of precies in

die straal zon die door het gekleurd raam naar binnen viel.
Het was daar dat ik opnieuw thuiskwam, nu

door de voordeur, en men mij omsloot. Een driftige voorganger
hief zijn handen op, ik lag bijna op mijn

knieën maar toen ik mijn ogen dichtdeed, voorbereid op zijn
zegen of de klap waarmee, hoorde ik muziek,

zoet, kalm en later met dezelfde verwarrende wervelende toon
die in mij zat. Later zette hij zijn signatuur

op de voorste bladzijde, serieus en onder mijn kinderlijke naam
en bleef mij even aankijken. Ik was daar ook,

zou hij zeggen, en ik zag hoe je bewoog in de tijd en met je
mond open probeerde wijs te houden.

 

altijd links van me

Voor het ‘verloren lopen’ of ‘uit de tijd vallen’ zoals de auteur
dat noemt voor verdwalen of

sterven, moeten we toch met dezelfde eenvoud en helderheid
ons leven hebben kunnen beschrijven, de

opdracht wordt steeds duidelijker zoals de noodzaak zich steeds
vaker aandient maar ook het uitstel, het

schuifelen over het ingezaaide grasland, het volgen van de vogels
die laag over scheren en vanuit de geulen het

zaad oppikken, het turen in de verte waar de katten roven en met
de buit thuis zullen komen, nog even de

damp boven het land die de dorpen van elkaar scheidt, de torens
van de kerken eenzaam, scheephoorns tegen

de haven. Er moet altijd een oever zijn, schrijft hij, altijd een
overkant zichtbaar, anders blijf ik nergens.

(naar aanleiding van het werk van Rinus Spruit)

zeker negen

Bij het moeizaam omhoogkomen en van tafel opstaan, zegt
mevrouw V. dat ze gewoon heel anders is dan

de rest van de groep, ze heeft een heel ander leven geleid en
ze is ook nog eens ouder, daarom

praat ze niet graag mee. Haar poppengezichtje met het rechte
kapsel hangt altijd links van me, er is

niets aan af te lezen. Ze eet haar koekje door hem rond te draaien
in haar hand en zachtjes te knabbelen en haar thee

drinkt ze koud. We woonden in dezelfde straat, de straat waarin
ze ooit voor dood bleef liggen,

maar wat daarvoor gebeurde, daarover praat ze niet. Ze steunt
op mijn armen tot de heer T. dat overneemt, hij

wacht haar altijd op. Ik denk aan het dansen van de cancan 
waarbij ze haar rokken over het hoofd gooit maar

of dat het anders zijn inhoudt, weet ik niet. Ik weet zelfs niet
hoe zij eruit zag toen zij daar voor mijn voeten viel.

en zingt zelfs

Het zou zomaar genoeg kunnen zijn, zegt hij, en ik zeg
te snel dat ik het begrijp, nu moet hij het

uitleggen en mij vragen of het intuïtie is, dat van mij en
of het wel bij hem past dat besluit maar

ik denk alleen aan mezelf, ik ben terug op een plek die
ik lang geleden verliet en men heeft mij

opengedaan, naar binnengetrokken, gekust en voorzien
van kopjes thee met koekjes terwijl de

glazen wijn al op kamertemperatuur stonden en de kaas
al in plakjes bij het brood lag, gevoel, zeg ik,

en dat het helemaal niet erg is. Er is een balans tussen nu
en toen, hij kijkt me doordringend aan, ik

zal je er niet bij betrekken, belooft hij en dat het niet is
uit bitterheid of strijd. Hij lacht volop.

 

(voor A.)

tegen niemand in het bijzonder

Alles gaat moeiteloos in elkaar over: het zand in de zee, de
lucht in het land, het water in de voeten, de

regen in de soep, de handen in elkaar. De dijen blauw van
spijkerstof en kou. Het is een natuurlijk

verloop van tijd en volgorde, het dode dier spoelt terug, het
vogeltje wipt omhoog, de hond springt over

alles heen, een bal rolt tot ongrijpbaar, een man joelt, zelfs
zonder te kijken weet je waarheen je loopt, je

gaat daarheen waar het haar reeds wappert, er zijn nog twee
vlaggen over, de vuurtoren brandt, het schip

strandt. Alles ook is een beeld van toen: hoe je klein daar
stond en met je handen voor ogen de

schipper zag en de drenkeling en de zware netten met vis en
hoe een man dat uitdeelde alvorens hij verder liep.

tijdstippen die nergens aangegeven stonden

Ik wil de waarheid, zegt mevrouw V. tegen de man
naast haar en simpel stelt hij dat die er

niet is. Het gaat over de aanwezigheid van X. aan
haar tafel zoals het ging om Y. in

haar leven, P. in haar bed, C. in haar mantel en T.
in het kleine Japanse wagentje dat ze

tot voor kort nog reed. We lezen over veranderingen
in het stadsleven en ruiken de inhoud van

de houten tonnetjes waarop zij ooit zaten maar dit
ongemak is groter. Ze kijkt me aan en

zomaar ken ik het hele alfabet en alle plaatsen en alle
tijden waarop. Het is subjectief, zeg ik

tegen niemand in het bijzonder en misschien moet je
echt genoegen nemen met wat je hebt.

dat wenkt en zuigt en zingt

Iets van die paniek dringt tot onder de deurspleet door.
Godverdomme, schreeuwt de buurman en de

wind die kouder wordt, slaat de laatste kerstballen stuk.
Bijna al hangt zijn lijf aan de laatste traptree,

de nacht donkerder dan ooit. Van repen stof heb ik kussens
gemaakt die ik voor de deur leg. Zoiets

doe ik met woorden ook. Het ene gat vul ik met het andere,
ik neem iets terug van toen en gebruik iets

ouds voor nu, de vorm is plooibaar, zacht en uitermate
geschikt voor het liggen op

de stoffige vloeren. Het is een kwestie van dossiervorming,
zegt de politie over de onverlaat. Dat

beweer ik ook over mezelf, het leven, de toekomst, de tocht,
de ballen, de vloek, het zijn.

nog lang en gelukkig

Soms is het alleen zijn niet voldoende. De geluiden in het
hoofd gonzen als het verkeer beneden, stemmen

in het trappenhuis, vliegtuigen in de lucht, vogels die krassend
van de dakgoot rollen, piepjes die het schermpje

rechts naast me doen oplichten, een deurbel die een nieuwe
toon produceert en me schrikken laat, in

de verte nog het murmelend kind en zelfs de tikkende poten
van een kat zoals de vragen van een medestander,

de aandacht van een vriend, de nieuwe aflevering van een
serie, de kranten van twee weken terug, het

nooit afgesloten verlies van langer geleden, de ogen van mijn
mamma en het hard dichtklappen van een deur

ergens, toen, opnieuw en zijn warm, los vel dat bruin in het
omwoelde bed lag met daar bovenop zijn handen.

de maan naast de sterren

De heer B. draagt niet langer mijn naam in inkt op zijn hand,
hij roept haar bij binnenkomst, draait in pirouette

met zijn rollator om mij heen, zegt dat we elkaar hier allemaal
tutoyeren en hoe hij van vrouwen houdt, hij

noemt ze die middag allemaal even zoals we daar om hem heen
zitten en horen hoe andermaal iedereen nog

lang en gelukkig leeft of prins wordt dankzij een betovering of
door dappere strijd ijs- en vuurstorm doorklieft en

kasteel, schatten en haar wint, hij zou het voordoen als het nog
kon maar hij heeft ook overal pijn, zegt hij, als we

daarna alleen nog even praten, je zou het niet zeggen, ik weet
het, en daarna komen we alsnog om in oorlog en

kindergeschrei, door op hol geslagen paarden, foute beslissingen
en jarenlange eenzaamheid of mevrouw K.

 

(in de voorleesgroep  gisteren een Keltisch anoniem sprookje
over een zwart paard)

dan zien we elkaar in de lente weer

Het nieuwe jaar begint alleen met mezelf, ik zeg goedemorgen
tegen een lege wereld, ben naakt in haar, sta

verlegen bijna in haar stilte. Jaren hiervoor schreef ik over het
niemandsland, bye bye blackbird en

intermezzo’s, rolden er lijken uit de kast en kinderen uit het
bed, dreven er oliebollen in de pan en boten

zuidwaarts en zwaaiden er witte vlaggen omdat ik vrede wilde,
dit jaar wacht ik. Ik herinner me

poedersuiker rond zijn neus, een volle koelkast, telefoontjes in
de nacht, het beamen van een gelukkig leven. Ik

herinner me onverstaanbare toespelingen op het jaar dat zou
komen, alles zou anders zijn maar

ik wil haar graag hetzelfde, als het kind dat ik hoog til nu en
de maan herkent en het licht achter haar muren.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑