Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: leven (pagina 1 van 55)

nuttige attracties

We moeten het allemaal nog maar zien, zegt ze en hoewel
ze op dezelfde plaats zit als altijd, naast mij,

hangt haar hoofdje dit keer tot bijna boven de tafelrand en
het kopje thee en knikt ze geen enkele keer ter

instemming bij al mijn woorden, kijkt ze me dus niet aan en
mompelt ze, ter afwisseling van dat alles,

voortdurend haar ongenoegen. Het is allemaal onzin, beweert
ze ook, of ‘ja, ja’ op de toon van mijn verongelijkte

moeder, en zelfs stelt ze dat het hele zootje van een dermate
slechte kwaliteit is dat ze het liefst voor altijd

daar, naast mij, blijft zitten. Ik omarm haar kleine gestalte na
afloop van het voorlezen en hijs haar

in dezelfde beweging omhoog en beaam dat het niet meevalt,
dat doet het tenslotte ook niet, ze knikt.

een bekende beginnersfout

De kleine brengt mij mijn eerste tafel terug: een korte, ooit
bijna witgeverfd grenen exemplaar waarvan de

zilveren ladeknop nog altijd een gelukspoppetje draagt, de
poten de nagels van een kat, het blad sporen

van een veertig jaar. Een aankoop voor mijn eerste kamer,
een weloverwogen besluit uit mijn jongvolwassen

zijn, precies passend tussen de hanenbalken van een ruimte
die maar net iets groter was en waarop ik,

zittend op het blad, met bungelende benen, in het straatje
onder mij de mensen telde en beschreef. Iets

dat natuurlijk zoveel kleiner lijkt nu: naar de wereld turend
alsof je haar zou begrijpen en

achteraf juist groter bleek: de afstand tussen mij en haar het
materiaal voor alle volgende jaren en plaatsen.

 


Alkmaar, 1979

zilverwitte vleugelslag

Omdat hij er de tijd voor neemt haar te antwoorden
en gewoon helemaal geen tijd heeft,

vindt hij over een paar jaar pas haar brief waarin alleen
de opmerking dat die ander de

horizon in zijn lachend beeld niet had rechtgezet, toch
een van de eerste vereisten voor het

nemen van een goede foto, zo had ze van hem geleerd.
Misschien was van al zijn instructies het

enige belangrijke dat zij terug te vinden was in het open
veld maar de lichtende, rechte lijn was

vandaag een hoge zee, haar benen sprongen over de rand,
ze verdween in de golven. De ander

meent dat het lachje voor de fotograaf is, een bekende
beginnersfout in kadering.

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

een andere invalshoek

Op het blote buikje van mijn kleinzoon zitten spetters
aardbei die onder een gulzige lach de zomer

prijsgeven, op mijn lijf zijn er witte vegen verf die op
onverklaarbare wijze altijd door de kleding

heen dringen als teken van nonchalance en eenzelfde
gretigheid. Ook rol ik nog even over het

laatste stukje vrije vloer, tussen het plastic met plasjes
wit, zoals hij nog even de stukjes fruit

over zijn velletje wrijft, beiden lachen we. Ik moet aan
mijn vader denken die in plaats van het onkruid

de bloemen schoffelde, het overdrijven dat elke schrijver
doet en het verwijt dat we niet serieus genoeg

zouden zijn. We hangen juist te veel aan het leven, als
een kind verwonderd over elk effect.

een dier op aaihoogte

Soms zie ik je terug, een ruimte voorbij mij, een stoel
in de verte, ik moet mijn ogen dichtknijpen,

je bent twintig of zoiets, je haar is nog zwart en je hebt
als altijd hoofdpijn, je leunt tegen de zitting,

je hand aan de riem van je broek, de ander doelloos in
de vensterbank, zijn er ramen, kijk je

ooit deze kant op, ik zou zomaar naar je toe kunnen lopen,
ontdekken hoe oud ik ben, weten dat je

niet dezelfde bent, je missen, dierlijk missen en mezelf
daarbij, dan wend ik mijn hoofd af en leun

en zie in omgekeerde volgorde de stad tegemoet die jij
verlaat, er ligt een briefje op tafel, ik mag

gerust de hagelslag opmaken, nee geen hartje in de spiegel
en vergeet niet waarvoor je kwam.

onze kleine stappen

Het raam wordt steeds voller, de lucht raakt versnipperd
daarachter, kleine scherven van licht die

figuren maken uit mijn jeugd, beelden die ik elke keer
opnieuw kon tellen zodat ik rustig werd en niet

de houten bank voelde of de barse stem vanaf de kansel
maar de vrijheid van daarbuiten. Hier een

tuimelende vogel die bij me intrekt, een huilend kindje
dat mee wilt, een chauffeur die met

draaiende motor op me wacht, misschien toetert hij straks,
een bloemenjurkje over een deurknop, een

hartje in de koffie, een dier op aaihoogte, iets zeker weten;
daar de namen in goud, het raden van woorden,

pinksterbloemen in het weiland, dezelfde kleuren echter
en misschien ook wel hetzelfde geloof.

dagelijks

Wie zijn angsten benoemt, verslaat ze dus de minutieuze
beschrijvingen van de spoken, het tijdstip

waarop ze verschenen, de mate van doorzichtigheid, hoe
ze opstegen en rondom zweefden, de adem

benamen, hoe ze giechelden of juist schreeuwden, alles
had de details van een nieuwsgierig kind,

de luisteraar de bezorgde ouder, het gesprek de voorwaarde
tot herstel, samen immers hieven ze het zwaard,

kliefden de witte massa tot flarden damp boven een groen
weiland, waarom dan lag elke keer alleen

hij met zijn neus onder de aarde, knepen de witte vlagen
zijn keel dicht, drukten ze dansend op zijn

altijd aanwezig lijf en werd hij nooit wakker met een moeder
die de lakens schikte en zong, het raam open?

geen hemel, geen God

Bij alles dat ik de volgende uren doe, ben ik doordrongen
van het gemak waarmee, de vanzelfsprekendheid,

de snelheid, de ontmoetingen met de ander, het reizen naar
een vreemde stad, het buiten zijn, het praten.

Er is zon, vogels fluiten, mensen zijn aardig, er ligt niets
in het gras verscholen dan wat plastic, een

hond is langs gekomen, een kind liet een fietsje liggen. Een
halve boterham steekt uit de prullenbak. Er

is vertrek en aankomst, maar bovenal keert men alleen maar
thuis nadat men weggeweest is. Zijn stem

zit in mijn mobiel, hij eindigt vragend vaak, niet dan? Toch
was het nooit een echt verzoek, nou ja,

cakejes misschien voor bij de vergadering en een precies
tijdstip zodat hij de deur los kon draaien.

rozen uit de kopieermachine

Er zijn van die dagen dat je uit je ritme geslagen wordt,
een nachtmerrie overdag, een bonkend geraas dat

over je trekt voordat je kunt bukken, glas uit een dicht
gelaten deur. Eerst doe je alsof er niets

gebeurd is, steken tellend in een onmogelijk patroon, je
handen om een brandweerauto die

erop uit trekt voordat de sirenes loeien, je kleinzoon aan
het scherm dat ‘meisje, meisje’ zegt omdat

er een pop was waarmee hij speelde, een kunstwerk dat
je vanaf zolder heel langzaam laat zakken op

de keukenvloer alvorens je zelf naar beneden komt. Dan
ben je pas in de late avond waar je in de ochtend

had zullen zijn. Je luistert zijn stem, deelt het ongemak,
hij lacht en zal zijn leven beteren, jij ook.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑