Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (pagina 1 van 33)

een andere invalshoek

Op het blote buikje van mijn kleinzoon zitten spetters
aardbei die onder een gulzige lach de zomer

prijsgeven, op mijn lijf zijn er witte vegen verf die op
onverklaarbare wijze altijd door de kleding

heen dringen als teken van nonchalance en eenzelfde
gretigheid. Ook rol ik nog even over het

laatste stukje vrije vloer, tussen het plastic met plasjes
wit, zoals hij nog even de stukjes fruit

over zijn velletje wrijft, beiden lachen we. Ik moet aan
mijn vader denken die in plaats van het onkruid

de bloemen schoffelde, het overdrijven dat elke schrijver
doet en het verwijt dat we niet serieus genoeg

zouden zijn. We hangen juist te veel aan het leven, als
een kind verwonderd over elk effect.

een ruimte voorbij mij

Voor het eerst heeft een kind meer bezit dan mij, een
grotere woning zoals die past bij een vast

contract, een hechte verbintenis, een hoog aantal jaren
in het vooruitzicht hopelijk. Het uitzicht

is op witte bloesem en schommelende kinderen, gelach
komt van buren die hoog op hun balkons zich

afschermen en het ruikt voorlopig naar een soppende
moeder die alle hoeken en gaten op haar

knieën en hoog reikend van voorjaar voorzag. In haar
lunchpauze strekt zij zich uit over de kale

vloer, duiven koeren op de vensterrand, de zomer is
in aantocht. Hij is nog steeds het kind dat

behoedzaam alle mogelijkheden bijeenbrengt, alleen
twijfelt nu aan de kleur van de muur.

onbederfelijk

Eerst de ochtend waarin de stille stad ontwaakt, de straten wit
uitgeslagen, de staketsels rond de kerk, een

man op een ladder die een lamp terughangt alsof het de maan
is, behoedzaam, ik lachend naar boven, de

hand aan mijn hals waar sjaal en knoop stoeien met vocht en
kou, een graafmachine dwars op de rotonde, een

moeder met lege bakfiets voor een gesloten winkel, altijd heen
dezelfde weg als terug, opnieuw tellen, zien,

grijzend staat hij daar, paaseieren in de aanbieding, hazen zoek,
koffie en croissants in zijn handen, warm,

schuivend op de hoge krukken waarachter oude mannen, ruikend
naar rook en zweet, het lichaam zwaar. Dan

de week en dat hij zijn character into the great falls liet storten
with licking tongues, zodat ik opnieuw lach naar boven.

zij verschijnt in het najaar

Ze verwachten geen nieuws en een beetje seks kan geen
kwaad, menen zij, integendeel zelfs. Het gaat

niet om een bepaald persoon, denken zij en geheimen kan
ik sowieso niet bewaren en opstootjes,

plagerijen, uit de hand gelopen ervaringen herkennen ze
zonder ze te lezen. En het scheelt, voeg ik

toe, dat er een andere achternaam is en welke collega van
hen kent nu literatuur en weet je nog hoe

en dan buitelen lijven, woorden, jaren over elkaar heen, we
toosten op alle behaalde successen en zij betalen,

hoe dan ook. Ze leggen hun melkwitte armen over mijn
oude plooien en lopen met jas los een

andere kant op, zeg het als je thuis bent, en mijn hakken
tikken elke angst weg, er is immers niets nieuw.

zij is al binnen

In de nacht hoor ik zijn stem, hij is niet lekker, hij wil
naar huis, hij heeft alleen geen kleding meer.

Hij is de laatste die me belt en bezoekt, de laatste die
ik redden moet, alles is onuitsprekelijk

vermoeiend. In de ochtend vind ik op het weggeschoven
schermpje een nachtelijke tekst met

verwijzing naar de zangles van daarvoor, ‘Nothings
Gonna Hurt You, baby’ en meteen is

alle kou verdwenen, ik heb genoeg kleren om hem te
warmen, er is genoeg voor iedereen. Je mag,

zegt de juf, best meer volume gebruiken, het is niet in
overeenstemming met je postuur. Hij haalt uit,

hij haalt in, het is de enige muziek die ik me toesta, daar
scheurt de droom, daar grijnst hij terug.

 

Cigarettes After Sex, ‘Nothings Gonna Hurt You, baby

een omcirkelde A

het dakje van de Mini, het autootje van Woezel

duidelijker dan in de beelden

Sommige dingen moeten uit het systeem: hinderlijke flarden
van een gesprek dat nooit afloopt, een te

lange en overvolle trein, boterhammen die uit elkaar gevallen
op de bodem van je tas liggen. Andere

zaken blijven voor altijd opgeslagen: die open krullende hand
die om een centje bedelt terwijl ik alleen maar

een vinger heb om erin te stoppen, de grijns bij elke ontmoeting,
mijn handschrift hoewel steeds onleesbaarder en

snotterige kusjes van een overzees kind dat de afstand tot het
zesde oog nog niet kan inschatten en tjonk, tegen

mij aanbotst. Nergens wordt er gehuild, niet meer. Het hart
bloedt nog, de wond klopt nog, het bonzen naar

binnen gekeerd, zwaai nog even. Onderaan een brief staat een
weerzien en elke inhoud is immers discutabel.

niet echte situaties

Als het scherm zich vastbijt in een strandvlakte die poederachtig
de zee in stuift, een blauwe wereld die rimpelloos zich

sluit tot een rotsenboog helemaal aan de overkant, is er maar
een iemand die mij tot bewegen kan brengen, mij

bij de hand neemt en leidt en rustig alle stappen doorneemt tot
ook het blauw, het dons, het harde van de

rots, de overkant en zelfs alle icoontjes in die bestemming zich
voegen naar mijn wens en ineenvloeien tot de

vertrouwde foto waarop mijn kleinzoon tussen mijn handen en
met mijn vingers speelt tot er een autootje toeterend

verschijnt op het wit voor ons en in botsing komt met konijn, kat
en scheef gewaaide boom, daar zijn mijn mappen ook

en de inhoud van het dagelijks ritme, de taken die ik me opleg en
het publiek dat zich, langzaam vergapend, aaneensluit.

 

omkijkend waar of dan toch het gezelschap blijft

Iedereen doet mee, zelfs de knuffels komen tot leven, springen
in mijn fietsmand en rijden mee, stappen uit als hij

dat zegt. Alle kinderen gedragen zich naar zijn wensen, goed,
ze mopperen onderhands en begrijpen niets van

de instructies, dragen kleding in andere kleuren, echte dieren,
kartonnen dozen met planten, praten

nauwelijks, vragen aan mij of dit wel zo moet, mijn nog levende
ouders zitten op klapstoeltjes in

een grasveld, er loopt een spin langs een knuffel die ik water geef,
hij belt voortdurend wijzigingen door, er is een

assistente die ik niet ken en zelf, zegt hij, mag ik niet te veel opvallen.
Het zijn beelden waar ik doodmoe uit opsta,

partijen die allemaal gesust en aangespoord moeten worden, niet
echte situaties die hij vergeefs regisseert.

de lichte duw van de winnaar

Alsof ik verwacht dat ze om de hoek van de straat stoppen,
zich tegen elkaar aan drukken, boe roepend mij

laten schrikken en dan giechelend verder rennen, op mijn
gegil nog net voor de zebra zullen stoppen

terwijl deze slenteraars, jong al gebogen, uitermate lang
doen over het stukje dat ons rest. Ik ben het die

plotseling afremt bij hoeken, stoplichten, mensen en ijs,
omkijkend waar of dan toch het gezelschap blijft.

Zo lees ik onze geschiedenis. Waar zij nog drie dagen doen
over een uitspraak in 2007, jee, wat is dat

lang geleden, ben ik al in 2010 en hoor hetzelfde, van tevoren
gealarmeerd over welke gil dan ook. Zij

schreeuwen evenwel nooit. Zij zullen de overkant bereiken
zonder haast en onderweg mij behoedzaam oppikken.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑