Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (pagina 1 van 32)

zoals de noodzaak zich steeds vaker aandient

De lucht leeg, de vogels zelden alleen maar in vallende
wolken zwart, purperen banen later, de straten

dreigend verlaten, de stem van de buurvrouw hoger dan
normaal en kinderlijk dreinend, de

berichten van de kleine omslachtig als altijd zoals zijn
reis naar huis in de avond, alle

alternatieven met zorgvuldigheid behandeld terwijl de
lange gewoon fietst en al de zeurende dreiging

van zich afschudt. Overzee is het rustig en voert de
allerkleinste mij door het scherm,

het smakkend geluid van liefde en voor altijd genoeg
hebben terwijl onder mij de woorden groeien

die – als die vogels – zich in groepen verzamelen, donker,
alvorens zij allen naar beneden storten.

men heeft mij opengedaan

In een droom laat ik mijn kinderen naar het midden van
de aarde lopen, we staan op de hoek van

het oude schoolplein in onze straat en ik draag een soort
lantaarn waarin een klein lichtje schijnt bovenop

de landen en een dun boompje precies op dezelfde plek
wiebelt als waarop wij staan en waaruit,

zodra wij kijken, een mager liedje begint alsof het een
kinderkoor betreft dat in het witte kerkje

aarzelend en niet zuiver de roos in koude grond bejubelt
om daarna met slechts een sinaasappel en

een plat, zaligmakend boekje beloond te worden, de fluwelen
randjes om jurkjes hard van snot en lang wachten.

We staan stil, we luisteren. Omstanders willen ook, sluiten
ons in, het lichtje wordt sterker, de roos groeit.

de voorraden in de schuur

De wereld nog veilig met vlagen woedend zwart die langzaam
uitscheuren in grijze banen, huizen nog

staande gehouden door wapperende kerstlichtjes, dromende
tieners over nog niet afgestoken vuurpijlen, op

de lege straat de afgedankte kerstbomen, de uitgerukte engeltjes
in de doos op zolder reeds, een vogel die

nog zingt alsof het nieuwe jaar alvast begonnen is lang voor het
land rood kleurt, stinkend en hij en ik, brommend en

toeterend, langs het stuwende water waarin eenden, meent hij,
op haastige wielen die draaien met de stappen die ik

maak en daarachter de ratelende mamma die ik nog even hoog
til op het lege stationsplein, de klok die

stilstaat, dan zien we elkaar in de lente weer, niet omkijken maar
met de handen diep in de zakken de tegels tellen tot thuis.

 

wat er veranderd moest

Zodra hij weg is en met rode wangen uitgezwaaid, het
geluid van de knarsende wielen en mijn

gebrom, toettoet en haarspeldbocht om lantaarnpaal en
mamma, mijn door de wind afgesneden

adem zich hervat en ik bewuster dan ooit en vol terug
loop, bijna alsof ik hem onzichtbaar draag nu en

op mijn schouders hoog boven de massa uit, wil ik alleen
maar dat hij terugkeert en blijft. Dit herhaalt

zich steeds, oom D. stuurt een filmpje van een kind op een
trekker, een kind op een glijbaan, een kind

dat de armen in de lucht steekt bij een liedje. Daarna
speel ik weer, auto, koe, het leven, mijn

handen op elkaar, grijnst hij en loopt hij op me af, o om
voor altijd thuis te komen bij elkaar.

en tijd niet meer bestaat

Alkmaar, 25 december 2017

 

de knielende positie

Als alles dat groen is en groeit ‘boom’ heet en de laatste
blaadjes daarbinnen vogels lijken, de lichten

buiten het kerstsnoer vormen en aaneengeregen altijd
aan blijven, de beesten daaronder allemaal

ezel, koe en schaapje zijn en het kind kraaiend zijn rol
in de geschiedenis op zich neemt en de

mijne herhaalt en tijd niet meer bestaat dan in de stramheid
van mijn duwende ledematen of in de

wirwar van mijn zilver haar, de lengte van mijn geliefden
of de snelheid waarmee ze mij aanvullen en

zacht langs de route staan, dan is de bedoeling duidelijker
dan ooit en desalniettemin even afwezig:

dat je hier was en bij mij en je ogen straalden en je mond
een rondje vormde en bovenop de mijne plakten.

op gelijke hoogte

In slaap te vallen met hun geluiden die door het tochtig
trapgat naar boven dwarrelen als wensballonnen die

met opgetogen gezichten opgelaten worden boven al die
dagelijkse beslommeringen, stemmen die

fluisteren vanaf het moment dat zijn ademhaling rustig
wordt en hij mijn hand loslaat en ik

de knielende positie verruil voor hoog op de tenen sluipend,
thee in zacht rinkelende kommen op schoot, weet

je nog dat ik alle dingen in mijn kamer met garen aan elkaar
verbond, zegt zij, en ik, weet je nog hoe ik zei dat

je nooit meer alleen zou zijn, en dan, heb ik al die draadjes
doorgeknipt eigenlijk, en te rusten in die

veilige wetenschap voor altijd daar te zijn, vastgeknoopt
met strikjes op de uiteinden van mijn bestaan.

de kersttruien uit het overzeese land

Tien dagen lang struikel ik hier over luier en rugzak, wagen en
verongelukt autootje bij de stoelpoot, beer en

nijlpaard, tuimelbekertjes met inhoud, heel kleine gympies en
dan midden in de kamer of loop ik op tenen

mijn ritme verschuivend en denk op de harde slaapbank op
zolder niet aan muizen, lijken of

andere monsters die in mijn neus knijpen maar alleen aan hem
en hoe het zover gekomen is dat ik zoals mijn

moeder op de grond tegen de verwarming hurk, op gelijke hoogte
communiceer, bij elke hoek uitleg gevend aan de

attributen. Mijn vader praatte met volle mond en stoof als ervaren
coureur de vrijheid tegemoet en nam

alle wagens in één keer, al was het moeilijk opstaan nadien en
een beetje verontrustend dat niets heel bleef.

dat likken aan mijn inkt

De straten hierachter geven ongeordende lichteffecten die
met knallen gepaard de ruiten doen dreunen, een

enkele ster die nu al hoog de weg wijst, twee hertjes voor
een scheef hellende arrenslee, een

knipperend wc-lampje tweehoog en eenzame kinderen die
wachten bij een verdwenen sneeuwpop, vader,

achterneef, auto met kentekens als hun initialen of vuurpijlen
die sissend voortijdig de hemel verlaten.

De buurvrouw klimt ondertussen hijgend met slingers en bal
langs de betonnen treden en laat haar vochtige

warmte achter terwijl Christmas Carrols voor een verkeerde
deur bezorgd worden. De schrijver brengt

voorzichtig een kerstkind thuis en knielt waarbij zij het leven
viert tussen snottebel en open mond en kust.

de oude bezweringen

Alsof hij haast heeft, die fase al als voorbij ziet, en zelfs
al weet dat het vertederend was, zo zegt hij

‘ooo’ en ‘baby’ als hij naar een foto van zichzelf wijst om
dan weer door te gaan met de vondst van

die dag: aapje, eendje, toodo voor het monster Gruffulo en
iets voor een olifant terwijl ik zo vreselijk traag

mezelf wijs op al die andere voorbije zaken, daar keken we
beslist vrolijker, ons vel nog strakker, het

uitzicht zeker aantrekkelijker, de lippen nog vol en zojuist
gekust, een huppeltje in ons lopen, we zijn

nooit af op de witte strepen en in de lichtflits vallen alle
beesten nooit tegelijk aan en de snelheid die

we aanwenden zullen we nooit kwijtraken noch de juiste
naam waarmee hij ons aanwees ooit.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑